ECLI:NL:CRVB:2004:AR7453
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening WAO-uitkering en verzoek schadevergoeding
Appellant, geboren in 1944 en voormalig werknemer, ontving een WAO-uitkering die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) werd vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. Na bezwaar handhaafde gedaagde dit besluit, waarna appellant in hoger beroep ging. Tijdens de procedure wijzigde gedaagde het besluit naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
De Raad oordeelt dat de belastbaarheid van appellant niet onjuist is vastgesteld door gedaagde, mede op basis van medische rapportages van verzekeringsartsen en longartsen. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen niet juist waren vastgesteld en vroeg om een onafhankelijk medisch onderzoek, maar de Raad zag hiervoor geen aanleiding.
Verder stelde appellant dat de functies waarop de arbeidsdeskundige zich baseerde niet passend waren vanwege gebrek aan opleiding en affiniteit. De Raad oordeelde dat appellant aan de functie-eisen voldoet en dat affiniteit niet persoonlijke voorkeur betekent, maar vereiste persoonskenmerken.
De Raad vernietigt het besluit tot handhaving van de lagere uitkeringsklasse en wijst het beroep daartegen toe, maar verklaart het beroep tegen de hogere uitkeringsklasse ongegrond. Tevens veroordeelt de Raad gedaagde tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot handhaving van de lagere WAO-uitkering wordt gegrond verklaard en dat tegen de hogere uitkeringsklasse ongegrond; gedaagde wordt veroordeeld tot rente- en proceskostenvergoeding.