ECLI:NL:CRVB:2004:AR7501
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met partner
Appellante ontving vanaf 24 september 1998 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van anonieme tips is op 8 februari 2001 een huisbezoek afgelegd bij de partner van appellante, waar zij samen met haar zoon werd aangetroffen. Een verslag van het huisbezoek, ondertekend door appellante en haar partner, vermeldde dat zij sinds 3 februari 2001 samenwoonden en dat de partner de vader van het kind was.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de partner niet de vader van haar zoon was en dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde. De Raad overwoog dat de ondertekende verklaring in het algemeen als juist mag worden aangenomen, tenzij onomstotelijk bewijs wordt geleverd dat deze onjuist is. Appellante en haar partner hebben geen dergelijk bewijs geleverd.
Verder wees de Raad het verzoek af om een vaderschapsonderzoek te gelasten, waarbij werd overwogen dat de bewijslast bij appellante ligt en haar financiële situatie geen reden is om hiervan af te wijken. Geconcludeerd werd dat appellante vanaf 3 februari 2001 een gezamenlijke huishouding voerde, waardoor zij geen recht meer had op een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsuitkering van appellante is terecht beëindigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding vanaf 3 februari 2001.