ECLI:NL:CRVB:2004:AR7505

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/3173 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond die het bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag voor bijstand ongegrond verklaarde. De zaak betreft de intrekking en terugvordering van bijstand vanwege het verzwegen van inkomsten uit handelsactiviteiten van haar (ex-)echtgenoot in de periode 1992-1997.

De Raad oordeelt dat appellante en haar (ex-)echtgenoot aanzienlijke inkomsten hebben verzwegen, waardoor niet kon worden vastgesteld of zij recht hadden op bijstand. Tevens werd een aanvraag afgewezen wegens het niet voldoen aan een verzoek om relevante financiële gegevens. Appellante slaagde er niet in aan te tonen dat er sprake was van een wijziging van omstandigheden die recht zou geven op bijstand.

De Raad acht de stelling van appellante dat zij geen weet had van de handelsactiviteiten en inkomsten ongeloofwaardig. De levensstandaard lag boven het bijstandsniveau en appellante weigerde openheid van zaken te geven over haar vermogens- en inkomenspositie. Het enkele feit van een scheidingsprocedure is onvoldoende om het gebrek aan informatie te rechtvaardigen.

Gelet op deze omstandigheden bevestigt de Raad de eerdere uitspraak en ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag en de intrekking van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting.

Uitspraak

02/3173 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 mei 2002, reg.nr. 01/1295 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 2 november 2004, waar appellante niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H. Ummels, werkzaam bij de gemeente Venlo.
II. MOTIVERING
Bij uitspraak van de Raad van 9 januari 2001, reg.nr. 98/8793 NABW, heeft de Raad het standpunt van gedaagde onderschreven dat [naam partner] (hierna: [naam partner]) en appellante (als gehuwden) aanzienlijke inkomsten uit de handels- activiteiten van [naam partner] hebben verzwegen, dat zij daarmee de inlichtingenverplichting hebben geschonden, dat als gevolg daarvan niet meer kon worden vastgesteld of [naam partner] en appellante in de periode van 5 november 1992 tot en met 30 september 1997 recht hebben op bijstand, zodat terecht tot intrekking en terugvordering is overgegaan.
Bij uitspraak van de Raad van diezelfde datum, reg.nrs. 00/2965 en 00/2966 NABW, heeft de Raad het standpunt van gedaagde bevestigd dat de aanvraag van [naam partner] en appellante van 7 januari 1999, met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, diende te worden afgewezen omdat zij hebben verzuimd te voldoen aan het verzoek om relevante financiële gegevens omtrent de handelsactiviteiten van [naam partner] over te leggen.
Bij uitspraak van 18 mei 2001, reg.nrs. 01/2063 + 2065 NABW en 01/2194 + 2196 NABW-VV, heeft de president van de Raad onder meer geoordeeld dat de aanvragen van appellante en [naam partner] van respectievelijk 12 oktober 1999 en
11 november 1999 terecht bij afzonderlijke besluiten van 23 december 1999 zijn afgewezen op de grond dat zij onvoldoende hebben aangetoond dat sprake was van een wijziging van omstandigheden, in die zin dat zij op 12 oktober 1999 respectievelijk 11 november 1999 wel voldeden aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.
Op 5 december 2000 heeft appellante andermaal een aanvraag ingediend voor bijstand in de kosten van levensonderhoud.
Bij besluit van 8 juni 2001 heeft gedaagde die aanvraag afgewezen.
Bij besluit van 16 oktober 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 8 juni 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 oktober 2001 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Indien een belanghebbende na beëindiging van zijn bijstandsuitkering en/of na afwijzing van een aanvraag een nieuwe aanvraag om bijstand indient, ligt het volgens vaste jurisprudentie van de Raad op zijn weg om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Naar het oordeel van de Raad is appellante daarin niet geslaagd.
Gedaagde heeft het voor de beoordeling van de vraag of appelante niet (langer) beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, terecht noodzakelijk geacht dat zij nadere informatie verstrekte over de inkomsten uit de handelsactiviteiten van haar (toenmalige) echtgenoot over de periode 1992-1997. De stelling van appellante dat zij geen weet heeft gehad van deze handelsactiviteiten, en daaruit genoten inkomsten, acht ook de Raad niet geloofwaardig. Gebleken is dat de echtgenoot van appellante aanzienlijke inkomsten uit zijn handelsactiviteiten heeft genoten en dat de levensstandaard van appellante en haar (ex-)echtgenoot duidelijk boven bijstandsniveau lag. Naar het oordeel van de Raad lag het dan ook op de weg van appellante nader inzicht te geven in de feiten en omstandigheden, waardoor zij niettemin niet (meer) beschikte of kon beschikken over middelen om te voorzien in de noodzakelijke bestaanskosten. Het enkele feit dat zij gescheiden leeft van haar (ex-)echtegenoot en een scheidingsprocedure in gang is gezet is daarvoor niet voldoende, nog daargelaten dat niet bekend is sinds wanneer het huwelijk van appellante door de rechtbank is ontbonden.
Door in het geheel niets over voornoemde feiten te verklaren, houdt appellante zelf de onduidelijkheid over haar vermogens- en inkomenspositie in stand. Het feit dat schriftelijke bewijsstukken, zoals appellante heeft gesteld, niet aanwezig zijn, hoeven haar niet ervan te weerhouden openheid van zaken te geven.
In hetgeen overigens nog van de zijde van appellante is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.
Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2004.
(get.) R.H.M. Roelofs
(get.) S.W.H. Peeters