Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR7678

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4850 WUBO + 03/4851 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding medische kosten gebitsklachten wegens ontbreken causaal verband met internering

Eiser, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om vergoeding van medische kosten voor gebitsklachten op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers (Wubo) en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (Wuv). Hij stelde dat zijn overmatige gebitsslijtage het gevolg was van zijn internering in een kamp tijdens de Japanse bezetting.

De verweersters wezen de aanvraag af omdat het vereiste causale verband tussen de gebitsklachten en het kampverblijf ontbrak. Dit oordeel werd onderbouwd met medische adviezen, waarin werd gesteld dat de slijtage vooral het gevolg was van tandenknarsen, een multifactorieel fenomeen waarbij stress slechts een rol speelt, en dat er geen continue gebitsproblematiek sinds de oorlog was.

Eiser voerde aan dat hij al van jongs af aan tandheelkundige problemen had en dat zijn broer wel een vergoeding ontving, wat volgens hem wijst op een zwak gebit door het kampverblijf. De Raad oordeelde echter dat de medische gegevens en adviezen geen aanwijzingen bevatten om het oordeel van de verweersters te betwijfelen. De Raad concludeerde dat het kampverblijf niet als oorzaak kan worden aangewezen en verklaarde het beroep ongegrond.

Proceskostenvergoeding werd niet toegekend. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 9 december 2004.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van causaal verband tussen gebitsklachten en kampverblijf.

Uitspraak

03/4850 WUBO + 03/4851 WUV
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamers WUBO en WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweersters.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Onder dagtekening 16 september 2003, kenmerk respectievelijk JZ/J70/2003/585 en JZ/J70/2003/0611, hebben verweersters ten aanzien van eiser besluiten genomen ter uitvoering van respectievelijk de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wubo) en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wuv).
Tegen deze besluiten heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In aanvullende beroepschriften, met bijlagen, heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met de bestreden besluiten niet kan verenigen.
Verweersters hebben verweerschriften ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 28 oktober 2004. Aldaar is eiser in persoon verschenen, terwijl verweersters zich hebben doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft zich in juli 2002 gewend tot verweersters met een gecombineerde aanvraag om hem ingevolge de Wubo en/of de Wuv een vergoeding toe te kennen van de kosten van de behandeling van zijn gebitsklachten - bestaande in een overmatige slijtage van het gebit - welke naar zijn mening zijn toe te schrijven aan zijn verblijf in een interneringskamp te Ambarawa tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië.
Deze aanvraag hebben verweersters afgewezen bij besluiten van 14 april 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij de bestreden besluiten, op de grond dat de gebitsklachten van eiser niet in het door zowel de Wubo als de Wuv vereiste causale verband staan met de internering. Daartoe is overwogen - samengevat - dat de gebitsklachten zich niet onafgebroken sinds de oorlog hebben voorgedaan en dat voorts niet een verband tussen die klachten en de slechte voeding tijdens de oorlog kan worden aanvaard. Daarnaast is overwogen dat eisers causale psychische klachten niet het niveau bereiken van een ziekte of gebrek, zodat ook niet langs die weg - in aanmerking genomen dat psychische klachten als een van de oorzaken gelden van, tot overmatige slijtage leidend, tandenknarsen - een verband valt aan te nemen.
In bezwaar en beroep heeft eiser erop gewezen dat hij al vanaf 5/6-jarige leeftijd regelmatig onder tandheelkundige behandeling is geweest vanwege gaatjes in zijn gebit en dat al op 15/16-jarige leeftijd een kies getrokken moest worden. Verder heeft eiser gesteld dat in zijn beleving van tandenknarsen geen sprake is maar wel van een onbewust te stevig kauwen, hetgeen echter blijkens informatie van zijn tandarts op zich niet tot de overmatige slijtage, zoals bij hem vastgesteld, heeft kunnen leiden. Dit gegeven, alsmede de omstandigheid dat aan zijn broer wel een vergoeding voor tandheelkundige behandeling is toegekend, sterkt eiser in zijn opvatting dat zijn gebit in aanleg zwak is tengevolge van de slechte voedings- en andere omstandigheden tijdens zijn kampverblijf en dat de overmatige slijtage daaraan moet worden toegeschreven.
Ter beantwoording staat de vraag of de bestreden besluiten, gelet op hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd, in rechte kunnen standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Blijkens de gedingstukken is het hiervoor weergegeven standpunt van verweersters in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten op een op verzoek van verweersters uitgevoerd medisch onderzoek van eiser door de arts G.J. Laatsch, op informatie uit de behandelende sector, waaronder eisers tandarts, en op een advies van de verweersters adviserend tandarts M. Schächter. In deze adviezen is aangegeven dat uit de gegevens van de behandelend tandarts blijkt dat de bij eiser geconstateerde overmatige slijtage te maken heeft met overmatig tandenknarsen. Dit tandenknarsen (bruxisme) is in de huidige tandheelkundige wetenschap een controversieel fenomeen waarbij wel de consensus is dat het een multifactorieel karakter heeft; stress kan hierin een rol spelen maar niet als enige en/of belangrijkste factor. Dit betekent dat het verlies van tandweefsel bij eiser door meerdere problemen veroorzaakt kan zijn. Nu bij eiser geen sprake is van tot ziekte of gebrek reikende psychische klachten en ook niet van een “rode draad” aan gebitsproblematiek sedert de oorlogsjaren, valt het kampverblijf niet als causale factor aan te wijzen, aldus de adviezen.
De Raad acht de bestreden besluiten op grond van genoemde adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.
In de voorhanden medische en andere gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om aan de juistheid van de in die adviezen neergelegde medische visie te twijfelen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat in de over eiser verkregen tandheelkundige informatie is vermeld dat de overmatige gebitsslijtage wordt toegeschreven aan knarsen en dat hard of stevig bijten niet tot overmatige slijtage leidt; verder wordt aangegeven dat eiser gaatjes heeft gehad als gevolg van cariës, hetgeen mede oorzaak is van weefselverval.
De Raad kan verweersters voorts volgen in hun opvatting - zoals ter zitting nog toegelicht - dat plomberen van gaatjes in het gebit vanwege cariës vanaf jeugdige leeftijd niet kan gelden als een rode draad van gebitsproblematiek, die wijst op een causaal verband met kampverblijf. Volgens eisers eigen verklaringen is ernstige slijtage-problematiek eerst vanaf begin 90-er jaren bij hem geconstateerd.
Enige aanwijzing dat verweersters eisers psychische problematiek zouden hebben onderschat is in de voorhanden medische gegevens niet te vinden.
Aangezien de medische beoordeling van klachten een individuele aangelegenheid is, kan de omstandigheid dat bij eisers broer wel causale gebitsklachten zijn vastgesteld geen gewicht in de schaal leggen.
Gezien het vorenstaande kunnen de bestreden besluiten in rechte standhouden en dienen de daartegen ingestelde beroepen ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2004.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) C. Dierdorp.