ECLI:NL:CRVB:2004:AR7777

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/3072 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 ARARArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugbrengen bezoldiging ambtenaar wegens langdurige ziekte

Appellant, werkzaam bij Rijkswaterstaat, werd geconfronteerd met een besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat om zijn bezoldiging terug te brengen tot 80% vanaf 14 september 2002, omdat hij vanaf 17 maart 2001 gedurende 18 maanden wegens ziekte niet kon werken.

Appellant voerde aan dat hij tussen 26 maart 2001 en 23 november 2001 niet ziek was maar thuis verbleef vanwege een arbeidsconflict. De Raad oordeelde echter dat appellant gedurende die periode regelmatig het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht, die hem steeds als 100% arbeidsongeschikt beschouwde, en dat er geen medische informatie was die dit tegensprak.

De Raad stelde vast dat de wettelijke regeling in artikel 37, tweede lid, aanhef en onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement dwingendrechtelijk is en dat de bezoldiging na 18 maanden ziekte terecht werd teruggebracht tot 80%. De Raad verwierp het beroep van appellant en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Assen.

Uitkomst: De bezoldiging van appellant is terecht teruggebracht tot 80% na 18 maanden ziekte.

Uitspraak

03/3072 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Minister van Verkeer en Waterstaat, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 20 mei 2003, 02/1008 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 oktober 2004, waar appellant in persoon is verschenen met bijstand van
mr. P. van Wijngaarden, advocaat te Groningen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Raap en
mr. ing. D. Rienstra, beiden werkzaam bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
II. MOTIVERING
1.Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam in de functie van [naam functie] bij Rijkswaterstaat, Directie Noord-Nederland. Bij het bestreden besluit van 27 november 2002 heeft gedaagde met toepassing van artikel 37, tweede lid, aanhef en onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) de bezoldiging van appellant met ingang van 14 september 2002 teruggebracht tot 80%, op de grond dat hij vanaf 17 maart 2001 gedurende 18 maanden wegens ziekte was verhinderd zijn werkzaamheden te verrichten.
2. De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat zijn bezoldiging ten onrechte met ingang van 14 september 2002 is verlaagd omdat hij van 26 maart 2001 tot 23 november 2001 niet ziek was, maar thuis verbleef vanwege een arbeidsconflict.
4. Ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder b, van het ARAR behoudt de ambtenaar, die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte en geen aanspraak heeft op een WAO-uitkering vanwege een arbeidsonge- schiktheid van minder dan 15%, gedurende een tijdvak van ten hoogste 18 maanden zijn volle bezoldiging en daarna 80% van zijn bezoldiging.
5. De Raad stelt voorop dat deze bepaling dwingendrechtelijk van aard is zodat gedaagde in beginsel niet de bevoegdheid toekomt om appellant in afwijking daarvan de volle bezoldiging te verlenen na een ziekteperiode van 18 maanden.
6.1. Uit de voorhanden zijnde gedingstukken is ook voor de Raad vast komen te staan dat appellant in het tijdvak van
26 maart 2001 tot 23 november 2001 ongeschikt was voor het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
6.2. De Raad overweegt daartoe dat appellant in die periode regelmatig het spreekuur van de bedrijfsarts heeft bezocht, die appellant bij voortduring 100% arbeidsongeschikt heeft geacht. De bedrijfsarts heeft geen relatie gelegd met de werksituatie, maar uitsluitend melding gemaakt van rouwverwerking en behandeling door een psychiater. Medische informatie die een ander licht werpt op de zaak is niet ingebracht.
6.3. Uit de brief van de leidinggevende van appellant van 26 maart 2001, met de oproep aan appellant om alsnog de voor die dag geplande afspraak na te komen om zijn toekomst bij de meetdienst te bespreken, kan de Raad, anders dan door appellant is betoogd, niet afleiden dat appellant zich hersteld had gemeld. Uit de gedingstukken blijkt uitsluitend dat werkhervatting op arbeidstherapeutische basis - een moeizaam - onderwerp van bespreking was en de brief moet naar het oordeel van de Raad dan ook in dat licht worden gezien. De Raad wijst in dit verband ook nog op appellants memo van
3 april 2001 waarin hij aan collega’s bericht dat van de kant van gedaagde niet is ingegaan op zijn bereidheid om op therapeutische basis bij zijn oude afdeling terug te keren en dat derhalve naar een andere plek binnen het Ministerie zal worden omgezien.
7. Het vorenoverwogene brengt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak in stand kunnen blijven.
8. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2004.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) A. de Gooijer.