ECLI:NL:CRVB:2004:AR7816

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4276 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag uitkering vervolgingsslachtoffer wegens internering buiten werkingssfeer Wet

Eiser, geboren in 1940 in het voormalig Nederlands-Indië, vroeg een periodieke uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, omdat hij gezondheidsklachten toeschrijft aan internering tijdens de Japanse bezetting.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat uit onderzoek bleek dat eiser wel geïnterneerd was, maar in de na-oorlogse Bersiap-periode, welke buiten de werkingssfeer van de Wet valt. Er werden geen objectieve gegevens gevonden die de internering tijdens de Japanse bezetting bevestigen.

De Raad oordeelde dat de internering in de Bersiap-periode heeft plaatsgevonden, mede op basis van archiefonderzoek, verklaringen van familieleden en het dossier van eisers broer. De Raad achtte het bestreden besluit rechtmatig en verklaarde het beroep ongegrond.

Het beroep werd behandeld op 4 november 2004, en op 16 december 2004 werd het vonnis uitgesproken door de Centrale Raad van Beroep. De Raad vond geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat zijn internering plaatsvond in de Bersiap-periode buiten de werkingssfeer van de Wet.

Uitspraak

03/4276 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verweerster heeft onder dagtekening 15 juli 2003, kenmerk JZ/M60/2003/0478, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met dat besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd zijn namens verweerster nog nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 4 november 2004, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer.
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juli 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om hem als vervolgde voor een periodieke uitkering en voorzieningen ingevolge de Wet in aanmerking te brengen. Eiser heeft deze aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten welke hij het gevolg acht van het feit dat hij tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd is geweest.
Deze aanvraag heeft verweerster bij besluit van 28 februari 2003 afgewezen. Dit besluit is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Verweerster is van oordeel dat eiser geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan, kort samengevat, omdat van de door eiser gestelde internering geen bevestiging is verkregen voor wat betreft de door hem genoemde periode. Onderzoek naar de door eiser gestelde gegevens heeft uitgewezen dat hij wel geïnterneerd is geweest, maar dan in de na-oorlogse Bersiap-periode. Die periode valt buiten de werkingssfeer van de Wet.
De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door en namens eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Daartoe overweegt de Raad als volgt.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt, voorzover hier van belang onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalig Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homosexualiteit en welke hebben geleid tot opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.
Blijkens de gedingstukken heeft verweerster, naar aanleiding van hetgeen door eiser is gesteld, onderzoek gedaan in de haar ten beschikking staande archieven, waaronder die van het Rode Kruis en van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Daaruit zijn geen objectieve gegevens naar voren gekomen die eisers relaas bevestigen. Bij het Rode Kruis zijn geen gegevens over eiser bekend tijdens de oorlogsperiode.Verweerster heeft tevens acht geslagen op het dossier van eisers broer [naam broer] en op een aantal getuigenverklaringen van familieleden. Mede in het licht daarvan heeft verweerster geconcludeerd dat eiser wel geïnterneerd is geweest, maar niet in de door hem genoemde periode.
Die conclusie acht de Raad juist. Gelet op met name hetgeen blijkt uit de door het Rijksinstituut (thans: Nederlands Instituut) voor Oorlogsdocumentatie beschikbaar gestelde gegevens, waarin bevestiging kan worden gevonden van de genoemde volgorde van verblijf in de verschillende kampen, maar dan gedurende de Bersiap-periode, gevoegd bij de verklaringen van eisers oudere broer en twee nichten, moet worden vastgesteld dat de internering van eiser heeft plaatsgehad in de Bersiap-periode. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat, waar in de handgeschreven verklaring van één van de twee nichten gesproken wordt over “de Bersiap-periode 1940-1945 “ dit op een misverstand berust, aangezien de Bersiap-periode eerst nadien is aangevangen. De andere nicht spreekt in haar verklaring over pemuda’s, waaruit de Raad afleidt dat haar verklaring eveneens ziet op de Bersiap-periode. Gelet hierop kan de Raad in dit geval geen doorslaggevend gewicht toekennen aan hetgeen eisers vader in 1954 heeft verklaard met betrekking tot de plaats waar zijn gezin tijdens de oorlog verbleef.
Gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en moet het door eiser ingestelde beroep ongegrond worden verklaard. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr.G.L.M.J. Stevens en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2004.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.