Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR7817

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6469 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 60 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 61 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 61a Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering vergoeding aanschaf auto op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945

Eiser, een uitkeringsgerechtigde vervolgingsslachtoffer uit de Tweede Wereldoorlog, ontving een vergoeding voor de aanschaf van een auto op basis van een ingediende koopofferte. Nadat bleek dat eiser niet tot aanschaf van de betreffende auto was overgegaan, besloot verweerster tot terugvordering van het uitbetaalde bedrag wegens opzet of grove nalatigheid.

Eiser voerde aan dat hij vanwege ernstige psychische klachten onvoldoende rekening was gehouden met zijn situatie en dat hij wel een andere auto had aangeschaft, onderbouwd met een garagekwitantie. De Raad oordeelde echter dat de garagekwitantie onvoldoende bewijs vormde en dat het nalaten van eiser om de koopofferte te honoreren terecht als grove nalatigheid kon worden aangemerkt.

De Raad concludeerde dat verweerster bevoegd was tot terugvordering en dat het besluit in redelijkheid kon worden genomen. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend. De oorspronkelijke beschikking tot vergoeding blijft onaangetast, zodat eiser zich opnieuw kan wenden tot verweerster met een geldige offerte.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de terugvordering van de vergoeding voor de aanschaf van een auto wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

03/6469 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 19 november 2003, kenmerk JZ/D80/2003/0901, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft mr. D.H. Stibbe, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde van eiser bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Bij nader schrijven is, desverzocht, door verweerster aanvullende informatie verstrekt.
Eiser heeft nadien de gronden van zijn beroep nog schriftelijk verder toegelicht en nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 november 2004. Daar is eiser in persoon verschenen met bijstand van mr. Stibbe voornoemd als zijn raadsvrouw alsmede van rabbijn J.S. Jacobs, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken is eiser, geboren in 1935, vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Door verweerster is aanvaard dat de psychische klachten, de heupklachten, de rugklachten en de klachten aan de rechterknie van eiser in verband staan met de door hem ondergane vervolging.
Bij besluit van 18 november 2002 heeft verweerster aan eiser - aan wie in het verleden al meerdere malen een vergoeding van de kosten van aanschaf van een auto was toegekend - op grond van artikel 20 van Pro de Wet een vergoeding toegekend van de kosten van aanschaf van een auto met automatische versnelling.
Op basis van een door eiser in november 2002 ingediende verkoopofferte betreffende een Renault Scenic automaat heeft verweerster aan eiser op 2 december 2002 ten behoeve van de aanschaf van die auto een betaling gedaan ad € 8.950,--.
Nadat was gebleken dat eiser niet tot aanschaf van die auto was overgegaan, heeft verweerster bij besluit van 14 april 2003 vastgesteld - voorzover hier van belang - dat de betaling aan eiser van € 8.950,-- ten onrechte was geschied en, omdat voorts naar haar oordeel met betrekking tot de door eiser gestelde aankoop van een andere, vergelijkbare auto onvoldoende duidelijkheid was verkregen, dit uitbetaalde bedrag van eiser teruggevorderd. Verweerster heeft hierbij overwogen dat eisers handelen is te beschouwen als opzet of grove nalatigheid als bedoeld in artikel 61a van de Wet.
Het hiertegen door eiser gemaakt bezwaar heeft verweerster bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In bezwaar en beroep heeft eiser het standpunt van verweerster dat over de aanschaf van een andere auto onvoldoende duidelijkheid was verkregen bestreden, onder verwijzing naar diverse door hem ingediende bewijsstukken, waaronder een garagekwitantie betreffende de aanschaf van een auto van het merk Rover. Eiser heeft er verder op gewezen - samengevat - dat hij vanwege de door hem ondergane vervolging ernstige psychische klachten heeft en dat die klachten een normaal maatschappelijk functioneren vergaand in de weg staan; naar zijn mening heeft verweerster daarmee in het kader van haar besluitvorming onvoldoende rekening gehouden.
In dit geding staat ter beantwoording de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep door en namens eiser is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande wordt overwogen als volgt.
Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Wet kan een beschikking van de Pensioen- en Uitkeringsraad door hem in het nadeel van de bij die beschikking betrokkene worden herzien op grond van, onder meer, gebleken onjuistheid van aan die beschikking ten grondslag gelegde feiten.
Nu vaststaat dat de in bovengenoemde verkoopofferte genoemde auto van het merk Renault, op basis waarvan de beschikking tot betaling van € 8.950,-- werd genomen, door eiser niet is aangeschaft, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat verweerster gerechtigd was om die beschikking met toepassing van artikel 61, eerste lid, van de Wet geheel in te trekken.
Voorts is in artikel 61a, aanhef en onder a, van de Wet bepaald dat, indien een ingevolge de Wet gegeven beschikking in het nadeel van de belanghebbende wordt herzien, hetgeen reeds was uitbetaald niet wordt teruggevorderd of verrekend, tenzij in de herzienings-beschikking is uitgesproken dat de gebleken onjuistheid van de aan de oorspronkelijke beschikking ten grondslag gelegde feiten was te wijten aan zijn opzet dan wel grove nalatigheid.
De Raad is van oordeel dat verweerster de handelwijze van eiser terecht als, minst genomen, een grove nalatigheid heeft aangemerkt. Eiser heeft de betaling van verweerster, gedaan op basis van de door hem ingediende verkoopofferte, wel in ontvangst genomen maar vervolgens aan die offerte geen vervolg gegeven. Dat dit nalaten aan eiser niet zou kunnen worden toegerekend vanwege zijn psychische klachten, heeft de Raad aan de voorhanden gegevens niet kunnen ontlenen.
Verweerster was derhalve bevoegd om tot terugvordering van het uitbetaalde bedrag over te gaan.
De Raad dient, gelet op hetgeen is aangevoerd, vervolgens na te gaan of gezegd kan worden dat verweerster in dit geval bij afweging van de aan de orde zijnde belangen in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten om van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik te maken.
Tot een zodanig oordeel is de Raad hier niet kunnen komen. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat verweerster bij haar afweging nog nagegaan heeft of dan wél is komen vast te staan dat eiser een andere, vergelijkbare auto heeft aangeschaft, zoals door hem aangevoerd. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de overgelegde garagekwitantie daarvoor onvoldoende bewijs bood nu niet van een daaraan ten grondslag liggende bankoverschrijving is gebleken.
Overigens merkt de Raad op dat - naar namens verweerster ter zitting ook is bevestigd - op zichzelf de beschikking van 16 november 2002, waarbij vergoeding van de aanschafkosten van een auto in het vooruitzicht is gesteld, onaangetast is gebleven. Dit betekent dat eiser zich op reguliere wijze opnieuw kan wenden tot verweerster met een, deugdelijke, offerte betreffende de aanschaf van een andere auto.
Ter zitting heeft eiser zich nog erover beklaagd dat de in het bestreden besluit neergelegde aflossingstermijnen van het teruggevorderde bedrag inmiddels zijn verhoogd. Reeds omdat deze grief buiten het bestreden besluit om gaat, kan de Raad deze niet in zijn beoordeling betrekken.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden en het beroep ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.