ECLI:NL:CRVB:2004:AR7819
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.C.F. Talman
- G.L.M.J. Stevens
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als vervolgingsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs internering Japanse bezetting
Eiser, geboren in 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg erkenning als vervolgingsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van zijn vermeende internering in een Japans kamp tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Verweerster, de Pensioen- en Uitkeringsraad, wees de aanvraag af omdat in de beschikbare archieven, waaronder die van het Rode Kruis en de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, geen objectieve gegevens zijn gevonden die de internering bevestigen. Ook de verklaring van eisers moeder uit 1954, waarin zij aangaf niet geïnterneerd te zijn geweest, weegt mee.
De Raad overwoog dat de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 vereist dat vervolging moet blijken uit handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht die leidden tot opsluiting met het oog op beëindiging van het leven of permanente bewaking. Omdat eiser onvoldoende bewijs leverde, kon zijn aanvraag niet worden gehonoreerd.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak bevestigt het belang van objectief bewijs bij erkenning als vervolgingsslachtoffer.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van internering tijdens de Japanse bezetting.