ECLI:NL:CRVB:2004:AR7895
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit voortzetting bijstand als geldlening wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Appellante ontving bijstand in de vorm van een geldlening omdat werd verwacht dat zij na haar echtscheiding over voldoende middelen zou beschikken. Na verkoop van haar woning bleek dat zij het ontvangen bedrag grotendeels had besteed aan het opknappen en inrichten van een huurwoning, waarbij de uitgaven ver boven het algemeen gebruikelijke niveau lagen. Gedaagde besloot daarom de bijstand voort te zetten als geldlening en legde een verlaging van 10% op.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad overweegt dat de uitgaven van appellante een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan tonen, mede omdat zij al afhankelijk was van bijstand en gedaagde niet vooraf de uitgaven kon beoordelen.
De Raad stelt dat het gebruik van de NIBUD-prijzengids en de normbedragen voor woninginrichting passend is en dat gedaagde redelijk heeft gehandeld bij het vaststellen van het vermogen en het opleggen van de maatregel. Er is geen sprake van onredelijkheid of onzorgvuldigheid in het besluit van gedaagde. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en het besluit tot voortzetting van de bijstand als geldlening bevestigd.