ECLI:NL:CRVB:2004:AR8048
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens niet-arbeidsongeschiktheid
Appellante werkte als administratief medewerkster en viel uit wegens pijnklachten. Het UWV stelde op basis van medisch onderzoek dat zij niet arbeidsongeschikt was en stopte het ziekengeld per 31 augustus 2001. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.
De medische rapporten, waaronder die van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, tonen geen objectiveerbare beperkingen die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen. Hoewel appellante de diagnose fibromyalgie aanvoert en neuropsychologische verklaringen overlegt, zijn deze niet relevant voor de periode in geschil of spreken zij de klachten deels tegen.
De Raad oordeelt dat appellante niet voldoet aan de vereisten voor recht op ziekengeld volgens de Ziektewet, omdat zij niet ongeschikt is voor haar arbeid. Het bezwaar is tijdig ingediend en ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding om het besluit te herroepen of de procedure te schorsen.
De uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen en benadrukt het belang van objectieve medische maatstaven bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellante niet ongeschikt wordt geacht voor haar arbeid.