ECLI:NL:CRVB:2004:AR8118
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-woonachtig zijn op opgegeven adres
Appellante ontving sinds oktober 1998 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een vermoeden dat zij niet meer woonde op het opgegeven adres in de gemeente Gilze en Rijen, voerde een buitengewoon opsporingsambtenaar een onderzoek uit. Dit onderzoek, ondersteund door getuigenverklaringen en observaties, concludeerde dat appellante vanaf mei 2000 niet meer feitelijk woonachtig was op het opgegeven adres.
De gemeente beëindigde daarom de uitkering per 1 oktober 2000 en vorderde de bijstandskosten terug over de periode van mei tot september 2000. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep, stellende dat zij wel woonde in de gemeente Gilze en Rijen. De Raad oordeelde echter dat de verklaringen van getuigen en bankafschriften erop wijzen dat zij elders woonde, namelijk bij haar vriend in een andere gemeente.
De Raad verwierp het beroep en bevestigde dat appellante geen recht had op bijstand vanaf 1 oktober 2000 en dat de terugvordering over de voorgaande periode terecht was. Ook werd vastgesteld dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door de wijziging van haar woonplaats niet te melden. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het besluit van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens niet-woonachtig zijn op het opgegeven adres wordt bevestigd.