ECLI:NL:CRVB:2004:AR8165
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WW-voorschotten ondanks beroep op rechtszekerheid en zorgvuldigheid
Appellant had vanaf 18 februari 2000 voorschotten op een WW-uitkering ontvangen in afwachting van een definitieve beslissing. Na vaststelling van een lagere definitieve WW-uitkering besloot het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) het te veel betaalde voorschot terug te vorderen. De rechtbank had het bezwaar tegen deze terugvordering deels gegrond verklaard wegens onvoldoende zorgvuldigheid en motivatie.
In hoger beroep erkent appellant de terugvorderingsplicht, maar beroept zich op het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij stelt dat hij mocht vertrouwen op de juiste vaststelling van het voorschot en dat de lange duur van de definitieve beoordeling onzorgvuldig was.
De Raad overweegt dat appellant weliswaar recht heeft op terugvordering, omdat het voorschot hoger was dan de definitieve uitkering en hij hiervan op de hoogte was. Het beroep op bijzondere omstandigheden om van terugvordering af te zien wordt verworpen, omdat appellant geen onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen aannemelijk heeft gemaakt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het te veel betaalde voorschot en wijst het hoger beroep af.