Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging maatmaninkomen bij vaststelling WAZ-uitkering zelfstandige paardenmelker
Appellant, een zelfstandige werkzaam in een paardenmelkerij, kreeg een WAZ-uitkering vastgesteld op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De uitkering werd op nihil gesteld voor de periode 18 juni tot 31 december 1998 vanwege verdiensten in dat jaar. Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van het maatmaninkomen, dat was gebaseerd op het gemiddelde van de nettowinst over 1994, 1995 en 1996, geïndexeerd naar 1998.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het uitgangspunt voor het maatmaninkomen de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de drie laatste boekjaren vóór arbeidsongeschiktheid is. Afwijking hiervan is niet gerechtvaardigd, ook niet vanwege het feit dat appellant een startende ondernemer is of vanwege waarderingswijzigingen en stille reserves.
De Raad stelt dat toekomstige inkomensontwikkelingen niet meegenomen kunnen worden zonder redelijke mate van zekerheid. Er is geen grond voor toepassing van artikel 8:75 AwbPro. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het maatmaninkomen correct is vastgesteld en wijst het beroep van appellant af.
Uitspraak
02/5801 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft B.W.M. Mulder, belastingadviseur te Berghem, op bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gegeven uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 oktober 2002 (reg.nr. AWB 01/1567), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 september 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door Mulder, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door A.J.J.A.M. Spapens werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
“Eiser is vanaf juni 1992 werkzaam als zelfstandige in een paardenmelkerij. Op 19 juni 1997 is hem een bedrijfsongeval overkomen.
Bij besluit van 25 november 1998 heeft verweerder eiser ingaande 18 juni 1998 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 30 december 1999 is de arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld op 80-100%.
Bij besluit van 22 februari 2000 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de WAZ-uitkering van eiser gedurende de periode van 18 juni 1998 tot en met 31 december 1998 op nihil gesteld wordt in verband met verdiensten over het jaar 1998.
Bij schrijven van 22 maart 2000 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Bij besluit van 21 mei 2001 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.
Namens eiser is tegen dit besluit beroep ingesteld.”
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij zich niet kan verenigen met de vaststelling van het maatmaninkomen, namelijk het gemiddelde van de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de jaren 1994, 1995 en 1996, geïndexeerd over de periode van 1 juli 1998 tot en met 31 december 1998. Appellant stelt zich op het standpunt dat het door gedaagde berekende maatmaninkomen niet representatief is, omdat hij een startende ondernemer is, rekening dient te worden gehouden met een wijziging in de waardering van de veestapel in 1996 en er sprake is van stille reserves in paarden over de jaren 1994, 1995 en 1996.
De Raad die zich beperkt tot het geschilpunt in deze zaak, namelijk of gedaagde het maatmaninkomen op juiste wijze heeft vastgesteld, kan zich volledig vinden in de overwegingen van de rechtbank en verenigt zich daarmee. Kort samengevat komen die overwegingen erop neer dat bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige als uitgangspunt dient te gelden de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid en dat voor een afwijking van dit uitgangspunt en/of voor een relativering van deze periode in de situatie van appellant geen gronden aanwezig zijn. Met toekomstige ontwikkelingen in het inkomen van de maatman kan in dit geval geen rekening worden gehouden, omdat die niet met een redelijke mate van zekerheid te verwachten zijn.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 december 2004.