ECLI:NL:CRVB:2004:AR8492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. de Mooij
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting AOW-toeslag wegens gezamenlijke winstverdeling in maatschap
Appellant en zijn echtgenote exploiteren samen met hun zoon en schoondochter een rundvee- en varkenshouderij in maatschapsverband. De Sociale verzekeringsbank heeft het inkomen van de echtgenote voor 2000 vastgesteld op basis van een gezamenlijke winstverdeling volgens artikel 6, vierde lid, van het Inkomensbesluit AOW, en dit inkomen deels in mindering gebracht op de AOW-toeslag van appellant.
Appellant voerde aan dat dit artikel niet van toepassing was omdat zijn echtgenote een eigen onderneming zou drijven en dat de winstverdeling ook de winstaandelen van andere maatschapsleden moest omvatten. De rechtbank en de Raad oordeelden dat er sprake was van feitelijke samenwerking in één bedrijf en dat de winstverdeling naar rato van arbeidsinbreng redelijk en aanvaardbaar was.
De Raad benadrukte dat het ontbreken van schriftelijke afspraken over winstverdeling in 2000 betekent dat de gekozen verdeling niet doorslaggevend is en dat alleen de winstaandelen van appellant en zijn echtgenote relevant zijn voor de AOW-berekening. Het beroep op een vergelijkbare zaak leidde niet tot een ander oordeel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het besluit van de Sociale verzekeringsbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting op de AOW-toeslag wegens gezamenlijke winstverdeling in de maatschap.