ECLI:NL:CRVB:2004:AR8540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitkering AAW en WAO wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om haar geen uitkering toe te kennen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rechtbank Amsterdam vernietigde het besluit voor de AAW-uitkering, maar verklaarde het beroep tegen de WAO-uitkering ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en bevestigd dat appellante op 1 september 1994 reeds beperkingen had door een primair Sjögrensyndroom, maar dat haar beperkingen per 20 november 1995 niet waren toegenomen. Medische rapportages van een huisartsgeneeskundige en een bezwaarverzekeringsarts toonden aan dat appellante niet geschikt was voor zware arbeid, maar dat haar arbeidsvermogen niet zodanig was verminderd dat zij als arbeidsongeschikt kon worden beschouwd vanaf 20 november 1995.
De Raad achtte geen grond aanwezig om af te wijken van het bestreden besluit en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellante terecht geen WAO-uitkering werd toegekend vanaf de afloop van de wachttijd op 20 november 1995. Het beroep is daarmee ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante terecht geen WAO-uitkering is toegekend vanaf 20 november 1995.