ECLI:NL:CRVB:2004:AR8544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens ontbreken verzekeringsstatus en onvoldoende arbeidsverrichting
Appellant verzocht om een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde de uitkering omdat appellant niet als verzekerd werd beschouwd en onvoldoende arbeid had verricht in de 52 weken voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank stelde vast dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in die periode arbeid had verricht gericht op het verwerven van winst of inkomsten. Appellant voerde aan dat hij van 15 tot 25 mei 2000 nog tien uur per week had gewerkt, maar de Raad achtte deze stelling onvoldoende onderbouwd en niet overtuigend, mede gelet op eerdere verklaringen van appellant zelf waarin hij aangaf sinds mei 1999 niet meer te hebben gewerkt.
De Raad overwoog dat het niet vereist is dat gedurende de gehele referteperiode arbeid wordt verricht, maar wel dat er in die periode arbeid is verricht. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij aan deze voorwaarde voldeed. De eerdere verklaringen van appellant en het ontbreken van andere ondersteunende gegevens gaven geen aanleiding tot een ander oordeel. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De WAZ-uitkering wordt geweigerd omdat appellant niet als verzekerde kan worden aangemerkt en onvoldoende arbeid heeft verricht in de referteperiode.