ECLI:NL:CRVB:2004:AR8666
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, sinds 1997 arbeidsongeschikt vanwege rug-, nek- en schouderklachten, kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Na herbeoordelingen in 1999 en 2000 concludeerden verzekeringsarts en arbeidsdeskundige dat haar verdiencapaciteit minder dan 15% verlies vertoonde, waarna de uitkering per 2 april 2000 werd ingetrokken.
Appellante voerde bezwaar aan en stelde dat haar gezondheidstoestand niet was verbeterd en dat zij volledig arbeidsongeschikt bleef, onderbouwd met brieven van derden. De rechtbank en de Raad oordeelden echter dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat geen nieuwe medische gegevens waren overgelegd die een hogere mate van arbeidsongeschiktheid aannemelijk maakten.
De Raad wees het beroep af en bevestigde het bestreden besluit, waarbij werd overwogen dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat haar belastbaarheid was overschat. Ook werd het verzoek om een aanvullend deskundigenonderzoek afgewezen omdat daarvoor geen grond bestond.
De uitspraak benadrukt dat de eigen opvatting van appellante over haar arbeidsongeschiktheid onvoldoende is om het besluit te herzien. Hiermee blijft de intrekking van de WAO-uitkering in stand.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering blijft gehandhaafd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid niet hoger is dan vastgesteld.