ECLI:NL:CRVB:2004:AR8695
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake beoordeling beperkingen appellant in WAO-zaken
Appellant stelde beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Breda waarin werd geoordeeld dat de verzekeringsartsen terecht geen te geringe beperkingen hadden vastgesteld bij appellant in het kader van de WAO.
Appellant voerde aan dat zijn beperkingen onvoldoende waren meegewogen en ondersteunde dit met een medisch rapport van een orthopedisch chirurg. Dit rapport werd tijdens de zitting besproken, maar gaf geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te herzien.
De Raad concludeerde dat het rapport onvoldoende relevant was voor de datum van beoordeling en dat de bevindingen van de verzekeringsartsen en het bestreden besluit juist waren. Daarom werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De zaak betreft de beoordeling van arbeidsongeschiktheid en de mate van beperkingen van appellant volgens de WAO, waarbij het medisch bewijs en de interpretatie daarvan centraal stonden.
De uitspraak werd op 15 december 2004 door de Centrale Raad van Beroep in het openbaar gegeven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat appellant geen te geringe beperkingen heeft volgens de verzekeringsartsen.