Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR8697

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2704 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 AbwArt. 67 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing bijstandsaanvraag wegens verkeerde aanvraagdatum

Appellante had bij de gemeente De Bilt een bijstandsuitkering aangevraagd. De gemeente kende haar een uitkering toe met ingang van 6 maart 2001, maar weigerde de uitkering over de periode van 6 maart tot 6 mei 2001 omdat appellante haar arbeid niet had behouden door eigen toedoen. De gemeente stelde dat de aanvraag pas op 6 maart 2001 was gedaan. Appellante stelde echter dat zij al op 23 januari 2001 een aanvraag had ingediend, wat werd ondersteund door een door haar en een balieconsulent ondertekend formulier.

De Raad stelde vast dat appellante inderdaad op 23 januari 2001 ondubbelzinnig haar aanvraag had ingediend en dat de gemeente dit ten onrechte niet had erkend. De gemeente had appellante aanvankelijk doorverwezen naar het Gak vanwege mogelijke WW-rechten en had het aanvraagproces vertraagd. De Raad oordeelde dat het besluit van 25 april 2002, waarin bezwaar tegen het eerdere besluit werd afgewezen, vernietigd moest worden.

De Raad bepaalde dat de gemeente een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, rekening houdend met de juiste datum van aanvraag en de omstandigheden. Tevens werd bepaald dat de gemeente het betaalde griffierecht aan appellante moet vergoeden. De uitspraak benadrukt dat een maatregel niet terugwerkend kan worden toegepast op een periode vóór het laakbare handelen.

Uitkomst: Het besluit van 25 april 2002 wordt vernietigd en de gemeente moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.

Uitspraak

03/2704 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 april 2003, reg.nr. SBR 2002/1285.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nr. 03/913 NABW, behandeld ter zitting van 9 november 2004, waar appellante is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door Y. Goossens, werkzaam bij de gemeente De Bilt. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In beide zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Op 23 januari 2001 heeft appellante zich gemeld bij de afdeling sociale zaken van de gemeente De Bilt voor het aanvragen van een uitkering op grond van de de Algemene bijstandswet (Abw). Van deze aanvraag (met korte toelichting) is aantekening gemaakt op een zogenoemd formulier “verslag aanmelding / afspraak- en ontvangstbevestiging”. Appellante is door de balieconsulent doorverwezen naar Gak Nederland bv (Gak) omdat zij mogelijk - in verband met haar op 10 januari 2001 ingetreden werkloosheid - aanspraak zou kunnen maken op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Op de door haar ingediende WW-aanvraag is bij besluit van 26 februari 2001 afwijzend beslist. Op 19 februari 2001 heeft appellante zich opnieuw tot gedaagde gewend voor het indienen van een bijstandsaanvraag. Door de balieconsulent is haar toen een aanvraagformulier Abw meegegeven met de afspraak voor een intake-gesprek op 1 maart 2001 om 09.30 uur en het verzoek om het uitgereikte formulier volledig ingevuld en ondertekend mee te nemen. Op 26 februari 2001 is appellante via uitzendbureau Dactylo werkzaamheden gaan verrichten voor (thuis)zorgverlener Vitras. Deze werkzaamheden heeft zij op
28 februari 2001 beëindigd. Ter zitting van de rechtbank heeft zij daarover verklaard dat het werk haar niet “lag” en dat zij het werk niet aankon vanwege de wisselende werktijden. Op 1 maart 2001 heeft appellante zich ziekgemeld bij het Gak. In overleg met gedaagde heeft zij ten slotte op 6 maart 2001 een door haar ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Abw met bijlagen aan gedaagde gezonden.
Bij besluit van 11 mei 2001 heeft gedaagde aan appellante met ingang van 6 maart 2001 een Abw-uitkering toegekend (lees: het recht op bijstand van appellante vastgesteld) met dien verstande dat deze uitkering over de periode van 6 maart 2001 tot 6 mei 2001 is geweigerd op de grond dat appellante door eigen toedoen haar arbeid in dienstbetrekking niet heeft behouden, waarbij mede in aanmerking is genomen dat sprake was van recidive.
Bij besluit van 25 april 2002 heeft gedaagde het door appellante tegen het besluit van 11 mei 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde onder meer overwogen dat van geen andere formele aanvraag is gebleken dan die van 6 maart 2001 en dat appellante zich binnen een jaar schuldig heeft gemaakt aan dezelfde maatregelwaardige gedraging.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 25 april 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank gemotiveerd bestreden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Abw stellen burgemeester en wethouders het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.
Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat appellante op 23 januari 2001 ondubbelzinnig aan de namens gedaagde optredende balieconsulent van de afdeling sociale zaken te kennen heeft gegeven dat zij een uitkering op grond van de Abw wenste aan te vragen. Dat blijkt uit het bij die gelegenheid ingevulde voorgedrukte formulier dat door beiden is ondertekend. Daarmee staat naar het oordeel van de Raad vast dat appellante op 23 januari 2001 een aanvraag ingevolge de Abw heeft ingediend en niet eerst, zoals gedaagde stelt, op 6 maart 2001. Daaraan doet niet af dat de desbetreffende aanvraag vanwege de summier daarbij verstrekte gegevens nadere aanvulling behoefde en evenmin dat gedaagde de bevoegdheid heeft ter vaststelling van het recht op bijstand speciale, op bijstandsaanvragen toegespitste aanvraag- en inlichtingenformulieren te hanteren, aangezien gedaagde - in de veronderstelling dat mogelijk sprake was van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Abw - appellante in eerste instantie heeft doorverwezen naar het Gak en voorts ervan af heeft gezien appellante terstond de nodige formulieren uit te reiken of nadien nog toe te zenden. Overigens is het de Raad opgevallen dat in de verschillende rapportages van de dienst sociale zaken uit die periode wel steeds over een op 23 januari 2001 ingediende bijstandsaanvraag wordt gesproken. Gelet op het voorgaande kan en zal de Raad in het midden laten of (ook) op 19 februari 2001 sprake is geweest van het indienen van een (nieuwe) bijstandsaanvraag.
Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 25 april 2002 reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. De Raad zal voorts bepalen dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Met het oog daarop hecht de Raad eraan het volgende op te merken.
Allereerst kan er niet aan worden voorbijgezien dat appellante tot 1 februari 2001 als student stond ingeschreven bij de Hogeschool ’s-Hertogenbosch. Deze inschrijving heeft gedaagde er destijds toe gebracht de bijstandsuitkering van appellante bij besluit van 5 september 2000 met ingang van 1 september 2000 te beëindigen. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.
Voorts wijst de Raad erop dat naar zijn vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 12 maart 2002, gepubliceerd in JABW 2002/59, RSV 2002/123 en USZ 2002/125) een in verband met verweten gedraging(en) op te leggen maatregel niet eerder in kan gaan dan op de datum waarop het laakbare handelen heeft plaatsgevonden. Dit betekent onder meer dat de gedraging van appellante op 28 februari 2001 niet bij de beoordeling van (de omvang van) het recht op bijstand van appellante van vóór die datum kan worden betrokken.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding nu niet van voor vergoeding in aanmerking komende kosten is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 25 april 2002;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Bepaalt dat de gemeente De Bilt aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 116,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 december 2004.
(get) R.H.M. Roelofs
(get) S.W.H. Peeters
MdH41213