ECLI:NL:CRVB:2004:AR9162

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/5267 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70 lid 3 Abw
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit voortzetting bijstand met verplichting deelname arbeidsinschakelingstraject

Appellant ontvangt al geruime tijd een bijstandsuitkering en is verplicht deel te nemen aan een traject gericht op arbeidsinschakeling bij Maatwerk Helmond. De rechtbank had het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard, waarna appellant hoger beroep instelde. Hij voerde aan dat het trajectplan niet voldeed aan kwaliteitswaarborgen omdat het plan niet gespecificeerd en meetbaar was, en dat er geen adequaat meetplan bestond. Tevens was appellant het niet eens met de regeling over geschillen in het plan.

De Raad overwoog dat de Algemene bijstandswet niet vereist dat het trajectplan aan de door appellant genoemde kwaliteitsnormen voldoet. Tevens was niet gebleken dat het college niet redelijk had kunnen besluiten tot vaststelling van het plan, dat gericht is op het vergroten van de arbeidskansen van appellant. De geschillenregeling in het plan is volgens de Raad geen echte geschillenregeling, maar een voorziening om participatie van appellant bij het plan te bevorderen, wat tegemoetkomt aan zijn bezwaar.

Gezien deze overwegingen bevestigt de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank en ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot voortzetting van bijstand met de verplichting tot deelname aan het arbeidsinschakelingstraject.

Uitspraak

02/5267 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van
28 augustus 2002, reg.nr. 02/1583.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 9 november 2004, waar appellant, met voorafgaand bericht, niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de gemeente Tilburg.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontvangt al geruime tijd een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Bij besluit van 2 april 2002 heeft gedaagde besloten tot voortzetting van de bijstand, waarbij aan appellant de verplichting is opgelegd deel te nemen aan een traject (een plan gericht op arbeidsinschakeling) bij Maatwerk Helmond. Het traject is opgenomen in een als bijlage bij het besluit gevoegd plan, door gedaagde werkpolis genoemd, dat gericht is op het vergroten van de kansen van appellant op de arbeidsmarkt.
Bij besluit van 27 juni 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 2 april 2002 ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde onder meer aangegeven bij de besluitvorming in aanmerking te hebben genomen dat appellant reeds vele jaren vanwege werkloosheid bijstand ontvangt en dat hij moet trachten zoveel mogelijk zelfstandig in het bestaan te voorzien.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 juni 2002 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
Appellant heeft aangevoerd dat aan het in geding zijnde trajectplan kwaliteitswaarborgen ontbreken aangezien de kwaliteit niet vooraf is gedefinieerd in gespecificeerde en meetbare vorm en er geen adequaat meetplan is opgesteld. Gelet hierop acht appellant het vrijwel zeker dat hij in een situatie wordt gebracht waarbij hij de vereiste basiskwaliteit moet ontberen.
De Raad wijst er in dit verband op dat de Abw niet voorschrijft dat het in artikel 70, derde lid, van Abw bedoelde plan moet beantwoorden aan de door appellant bedoelde maatstaven. De Raad voegt hieraan nog toe dat niet gebleken is dat gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen geraken tot vaststelling van het in geding zijnde trajectplan nu dit, gezien de inhoud ervan, gericht is op vergroting van de kansen van appellant op arbeidsinschakeling.
Appellant kan zich voorts niet verenigen met hetgeen in het plan is opgenomen onder het hoofdje “Geschillen”. De Raad overweegt dienaangaande dat het hier, gelet op hetgeen aldaar is vermeld, niet gaat om een geschillenregeling, maar om een voorziening die ertoe strekt de participatie van appellant bij de totstandkoming en de inhoud van het plan te verhogen. Deze regeling komt dan ook tegemoet aan het bezwaar van appellant dat zijn betrokkenheid bij het trajectplan onvoldoende is gewaarborgd.
Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) R. van den Munckhof.
JK/22124