ECLI:NL:CRVB:2004:AS1911
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit over kortdurende WW-uitkering wegens onjuiste toepassing vier uit vijf eis
Appellante kreeg een voorschot op een WW-uitkering toegekend met een maximale duur tot 14 maart 2004. Later werd haar medegedeeld dat haar recht op uitkering al op 4 juli 2001 was verstreken omdat zij slechts recht zou hebben op een kortdurende uitkering. Dit besluit werd gebaseerd op het niet voldoen aan de vier uit vijf eis uit artikel 17 van Pro de WW, omdat zij in 1995 en 1996 niet voldoende loon zou hebben ontvangen.
Appellante voerde aan dat de jaren 1995 en 1996 wel meegeteld moeten worden omdat zij in die jaren werkzaamheden als zelfstandige verrichtte naast de verzorging van haar kinderen, waardoor zij niet kon voldoen aan de eis. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het niet de verzorging van kinderen was die haar verhinderde, maar het werken als zelfstandige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de wetstekst geen causaal verband vereist tussen het verzorgen van kinderen en het niet voldoen aan de loon-eis. De jaren 1995 en 1996 moeten daarom wel meegeteld worden. Hierdoor wordt het bestreden besluit vernietigd en moet het UWV een nieuw besluit nemen. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit dat appellante slechts recht heeft op een kortdurende WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.