ECLI:NL:CRVB:2004:AS2742
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag en halfwezenuitkering wegens twijfel over bestaan kinderen niet gerechtvaardigd
De zaak betreft een hoger beroep van de Sociale verzekeringsbank tegen een uitspraak van de rechtbank Zutphen die de weigering van kinderbijslag en halfwezenuitkering aan gedaagde vernietigde. Gedaagde had een weduwenpensioen en kinderbijslag ontvangen voor haar kinderen, waaronder Cantürk en Fatma, die in Turkije zouden verblijven.
Appellant liet onderzoek doen in Turkije naar het bestaan van deze kinderen en concludeerde dat zij niet de kinderen van gedaagde zijn, maar van haar zoon. Op basis hiervan werden de uitkeringen beëindigd en geweigerd. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was.
De Raad overweegt dat, hoewel er twijfel bestaat over het bestaan en de afstamming van de kinderen, er ook bewijsstukken zijn zoals een identiteitskaart en een paspoort die het bestaan ondersteunen. Daarom is de twijfel onvoldoende om de weigering te rechtvaardigen.
De Raad bevestigt dat de door het Turkse SSK verstrekte gegevens in beginsel als betrouwbaar moeten worden aangenomen en dat appellant onvoldoende overtuigend bewijs heeft geleverd om daarvan af te wijken. De weigering van kinderbijslag en halfwezenuitkering wordt dan ook niet gehandhaafd.
De Raad veroordeelt appellant tot betaling van de proceskosten van gedaagde in hoger beroep.
Uitkomst: De weigering van kinderbijslag en halfwezenuitkering wordt niet gehandhaafd wegens onvoldoende overtuigend bewijs van het niet-bestaan van de kinderen.