Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AS3233

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/5136 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een WAO-uitkering. Het bezwaar werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) niet-ontvankelijk verklaard omdat de motivering onvoldoende concreet zou zijn en niet binnen de termijn was aangevuld. De rechtbank onderschreef deze beoordeling en verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelt appellant dat het bezwaarschrift wel voldoet aan de eisen van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het een concrete bezwaargrond bevat, namelijk dat de motivering van het besluit onduidelijk en medisch en arbeidskundig onjuist is. Daarnaast stelt appellant dat een latere brief van 7 december 2001 bij de beslissing op bezwaar betrokken had moeten worden.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat een summiere motivering in het bezwaarschrift voldoende kan zijn mits er sprake is van een concrete bezwaargrond die op het individuele geval betrekking heeft. Appellants bezwaar voldoet hieraan. Het besluit tot niet-ontvankelijkheid is daarom onterecht. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit en bepaalt dat het Uwv het bezwaar inhoudelijk moet behandelen. Tevens veroordeelt de Raad het Uwv in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van de WAO-uitkering wordt ontvankelijk verklaard en het Uwv moet het bezwaar inhoudelijk behandelen.

Uitspraak

02/5136 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], Marokko, appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant is mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in beroep gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2002, nr. AWB 02/211 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 november 2004, waar namens appellant is verschenen
mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. M.J.M. Oltmans, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 3 oktober 2001 heeft gedaagde de aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) afgewezen.
Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 23 oktober 2001. In dit bezwaarschrift is onder andere vermeld:
“[appellant] is van oordeel dat de beslissing onvoldoende is gemotiveerd, nu daaruit niet blijkt op welke gronden de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld. [appellant] meent voorts dat de beslissing niet op de juiste medische en/of arbeidskundige gronden is gebaseerd. (…) Ik verzoek u mij de ontvangst van dit bezwaarschrift schriftelijk te bevestigen met vermelding van het kenmerk, waaronder de zaak bij u in behandeling is. Tevens verzoek ik u mij de stukken toe te zenden. Na ontvangst van de stukken zal ik de gronden van het bezwaar nader aanvullen.”
Gedaagde heeft, onder toezending van de relevante stukken, de gemachtigde van appellant bij brief van 5 november 2001 in de gelegenheid gesteld binnen vier weken de gronden van het bezwaar kenbaar te maken. Door middel van een brief van
7 december 2001 heeft deze gemachtigde het bezwaar nader toegelicht.
Bij het bestreden besluit van 20 december 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Hij heeft daartoe overwogen dat de motivering van het bezwaarschrift van 23 oktober 2001 onvoldoende concreet is om als grond in de zin van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden aangemerkt, en dat dit verzuim niet binnen de gestelde termijn van vier weken is hersteld.
De rechtbank heeft de opvatting van gedaagde onderschreven en het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant onder andere doen stellen dat het bezwaarschrift van 23 oktober 2001 voldoet aan de eisen van artikel 6:5 van Pro de Awb, nu daarin - zij het summier - is aangegeven waarom appellant het niet eens is met het bestreden besluit. Subsidiair stelt appellant zich op het standpunt dat gedaagde bij het nemen van een beslissing op bezwaar de brief van 7 december 2001 had moeten betrekken. Gedaagde heeft zijn standpunt gehandhaafd.
De Raad ziet zich vooreerst gesteld voor de vraag of het bezwaarschrift van 23 oktober 2001 voldoet aan de in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d van de Awb gestelde eis. Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen zal in de regel ook van een in het bezwaarschrift gegeven summiere motivering van het bezwaar kunnen worden aangenomen dat daarmee is voldaan aan het in deze bepaling verwoorde vereiste, mits sprake is van een (op het individuele geval betrekking hebbende) concrete bezwaargrond. Appellant heeft aan zijn bezwaar het standpunt ten grondslag gelegd dat het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de hieraan ten grondslag gelegde motivering, aangezien deze motivering - althans in de visie van appellant - zowel niet kenbaar als vanuit medisch en arbeidskundig oogpunt onjuist is. Dat appellant dit standpunt niet verder onderbouwt neemt niet weg dat hier sprake is van een voldoende op het concrete geval betrekking hebbende bezwaargrond.
Gelet op het vorenstaande heeft gedaagde het bezwaar van appellant ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen derhalve niet in stand blijven. Gedaagde zal ten gronde moeten beslissen op appellants bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2001.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en
€ 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 111,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.