ECLI:NL:CRVB:2004:AS3498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt weigering WW-uitkering wegens vermeende benadelingshandeling
Appellant was sinds 8 november 1997 in dienst bij een werkgever en diens arbeidsovereenkomst werd per 2 februari 2001 ontbonden door de kantonrechter. Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV deels werd geweigerd over de periode van 2 februari tot 1 april 2001 wegens een vermeende benadelingshandeling. Het UWV stelde dat appellant in de ontbindingsprocedure niet had verzocht om rekening te houden met de opzegtermijn of om een vergoeding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het achterwege laten van een dergelijk verzoek een benadelingshandeling vormde, wat leidde tot weigering van de WW-uitkering over de fictieve opzegtermijn. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat het enkele niet verzoeken om een vergoeding of ontbinding op langere termijn niet zonder meer als benadelingshandeling kan worden aangemerkt. Bovendien keek de kantonrechter ambtshalve naar de toekenning van een vergoeding. In deze zaak was er geen sprake van een benadelingshandeling, mede omdat appellant al enige tijd voorafgaand aan het ontbindingsverzoek geen werkzaamheden meer verrichtte terwijl het salaris werd doorbetaald.
De Centrale Raad vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het UWV dat de WW-uitkering geheel weigerde wegens een vermeende benadelingshandeling wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.