ECLI:NL:CRVB:2004:AS3976
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens verwachte arbeidsongeschiktheid binnen half jaar
Appellant, werkzaam als kok bij twee werkgevers, werd vanaf 27 april 2001 arbeidsongeschikt gemeld. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), weigerde ziekengeld op grond van artikel 44 Ziektewet Pro, omdat uit medische gegevens bleek dat appellant reeds vóór het laatste dienstverband langdurige depressieve klachten had.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad vond dat het intreden van de ongeschiktheid tot werken binnen een half jaar met de vereiste stelligheid kon worden verwacht, waardoor de weigering van ziekengeld gerechtvaardigd was.
De Raad oordeelde dat het gebruik van de bevoegdheid door gedaagde in overeenstemming was met het beleid zoals neergelegd in het Besluit ongeschiktheid bij of kort na aanvang verzekering Ziektewet. Ook het latere standpunt van gedaagde bij de beoordeling van de WAO-uitkering, waarbij geen toepassing werd gegeven aan artikel 30 WAO Pro, leidde niet tot een ander oordeel.
Het rapport van de bezwaarverzekeringsarts toonde aan dat appellant tegen het einde van de wachttijd slechts lichte psychische beperkingen had, wat een duidelijk verschil was met de toestand bij aanvang van het laatste dienstverband. De Raad achtte dit niet relevant voor de beoordeling van de Ziektewet-uitkering.
Proceskosten werden niet toegewezen. De uitspraak werd in het openbaar gegeven op 29 december 2004.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld aan appellant wegens het verwachte intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar.