Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AS8334

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/4113 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WAO-uitkering wegens niet-rechtmatig verblijf onterecht

Appellant, afkomstig uit het voormalige Joegoslavië, werkte in Nederland en viel op 21 april 1998 uit wegens ziekte. Hoewel hij geen rechtmatig verblijf had volgens de vreemdelingendienst, was hij verzekerd op grond van de WAO ten tijde van het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid. Gedaagde weigerde de WAO-uitkering omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef bij het einde van de wachttijd van 52 weken.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringseis alleen geldt bij aanvang van arbeidsongeschiktheid en niet tijdens of na de wachttijd. Hierdoor was de weigering onterecht en moest gedaagde een nieuw besluit nemen.

De Raad veroordeelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellant en tot terugbetaling van het betaalde recht. De uitspraak bevestigt dat het ontbreken van een verblijfstitel vóór de Koppelingswet niet uitsluit dat iemand verzekerd is op grond van de WAO.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de weigering van de WAO-uitkering en bepaalt dat een nieuw besluit moet worden genomen.

Uitspraak

01/4113 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant is mr. L.E.J. Vleesenbeek, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2001, nr. WAO 00/854-ZET, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 30 januari 2004, waar voor appellant is verschenen mr. R. Haze, kantoorgenoot van mr. Vleesenbeek, voornoemd, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. P.G. Koch, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant is afkomstig uit het voormalige Joegoslavië. Hij is, na een eerder verblijf hier te lande, in 1994 weer naar Nederland gekomen en heeft laatstelijk gewerkt als plaatwerker/monteur voor Uitzendkring Industrie B.V. Voor deze werkzaamheden zijn premies afgedragen en appellant is aangemeld bij gedaagde. Op 21 april 1998 is appellant uitgevallen, waarna hem door gedaagde een uitkering ingevolge de Ziektewet is verstrekt. Volgens een intern memo van gedaagde van 30 november 1999 heeft appellant, zo blijkt uit informatie van de vreemdelingendienst, een status in onderzoek met beperkingen (code 18). Dit houdt in dat hij in Nederland mag verblijven, maar geen arbeid mag verrichten anders dan in het kader van studie of als schepeling aan boord van een schip.
Bij besluit van 3 december 1999 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een uitkering te verstrekken ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO). Aan dit besluit heeft gedaagde ten gronde gelegd dat appellant niet-rechtmatig in Nederland verblijft en ook niet in een met rechtmatig verblijf gelijk te stellen positie verkeert. Op die grond wordt appellant niet als werknemer aangemerkt, is hij niet verzekerd op grond van de werknemersverzekeringen en kan hij ook geen aanspraak maken op uitkering ingevolge de werknemersverzekeringen.
Bij brief gedateerd 14 januari 2000 heeft appellants gemachtigde bezwaar ingesteld tegen het besluit van 3 december 1999.
Bij besluit 8 maart 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde appellants bezwaar tegen het besluit van 3 december 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
De Raad oordeelt als volgt.
In zijn uitspraak van 4 juli 2003, gepubliceerd in USZ 2003/260, heeft de Raad als volgt overwogen:
“Op grond van artikel 19, eerste lid, van de WAO heeft de verzekerde, die arbeidsongeschikt wordt, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is. Blijkens de tekst van deze bepaling en de parlementaire geschiedenis van de WAO wordt de eis van verzekering alleen gesteld bij aanvang van de arbeidsongeschiktheid. Deze eis geldt niet gedurende de wachttijd van 52 weken, noch na afloop daarvan (Kamerstukken 1962-1963, 7171, nr. 3, pag. 43).”
In het onderhavige geval was appellant ten tijde van het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid op 26 april 1998 verzekerd ingevolge de WAO. Hij stond immers in een privaatrechtelijke dienstbetrekking en het ontbreken van een verblijfstitel stond tot de inwerkingtreding van de Koppelingswet op 1 juli 1998 niet aan verzekering krachtens de werknemersverzekeringen in de weg. Of appellant bij het einde van de wachttijd van 52 weken verzekerd was, is voor zijn aanspraak op uitkering niet relevant.
Gedaagde heeft derhalve ten onrechte aan appellant een uitkering ingevolge de WAO geweigerd op de grond dat hij bij einde wachttijd niet verzekerd was krachtens de WAO.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. Gedaagde dient ter zake van de aanspraken van appellant een nader besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- in beroep en op € 644,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het gestorte recht van € 104,37 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
RG