ECLI:NL:CRVB:2004:BE9158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen toekenning WAO-conforme uitkering op grond van WPA
Appellant, voormalig leraar, werd sinds augustus 1992 arbeidsongeschikt verklaard na een bypassoperatie en een virusinfectie die leidde tot amputatie van zijn onderbeen. Diverse besluiten kenmerkten zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid meerdere keren werd vastgesteld en herzien. In 1996 werd appellant een WAO-conforme uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55 tot 65%, waartegen hij bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.
De rechtbank had het beroep onterecht niet-ontvankelijk verklaard voor het besluit van 2 augustus 1996, dat het eerdere besluit van 26 juni 1996 verving. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het beroep mede tegen dit besluit had moeten worden gericht en vernietigde het vonnis van de rechtbank. De Raad stelde vast dat bij de toekenning van een WAO-conforme uitkering op grond van artikel 39 van Pro de WPA moet worden uitgegaan van de arbeidsongeschiktheid op 31 december 1995, zonder nieuwe medische beoordeling.
De Raad verklaarde het beroep tegen het besluit van 2 augustus 1996 ongegrond en veroordeelde het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Hiermee werd bevestigd dat de toekenning van de WAO-conforme uitkering terecht was gebaseerd op het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld per 31 december 1995.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 2 augustus 1996 wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van een WAO-conforme uitkering wordt bevestigd.