ECLI:NL:CRVB:2004:BL7351
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke beoordeling van weigering aanvullende WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellante werkte sinds 1993 als paprikasnijdster bij Hapako en kreeg in de winter WW-uitkering. In 1998 nam zij ontslag wegens schouderklachten en ging zij 20 uur per week schoonmaakwerk doen bij een hotel. De uitkering werd voor 14 uur toegekend, maar later geschorst wegens vermeende verwijtbare werkloosheid omdat zij niet had doorgewerkt bij Hapako.
Een verzekeringsarts concludeerde dat appellante het werk bij Hapako vanwege haar aandoening niet kon voortzetten zonder verslechtering. De Raad oordeelde dat appellante niet verplicht was het zwaardere werk bij Hapako te hervatten en dat de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering op een ondeugdelijke grondslag berustte.
De boete wegens het niet correct invullen van de 4-wekenverklaring werd bevestigd op € 45,38, omdat appellante onzorgvuldig had gehandeld. De Raad veroordeelde gedaagde tot vergoeding van proceskosten en wettelijke rente over de niet betaalde uitkering vanaf 1 april 1998.
Uitkomst: De blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd, de boete bevestigd en gedaagde veroordeeld tot proceskostenvergoeding.