ECLI:NL:CRVB:2005:AS2512

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1977 MAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toekenning van premiepercentage van 25% aan beroepsmilitair

Appellant, een beroepsmilitair, had zijn aanstelling meerdere malen verlengd gekregen, waarbij hij aanvankelijk een premie van 25% van zijn bezoldiging ontving. Bij verlenging vanaf 20 juli 2000 werd echter een premie van 0% toegepast. Appellant verzocht om toekenning van het oude premiepercentage van 25% over deze verlengingsperiode, wat door de Staatssecretaris van Defensie werd afgewezen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Appellant stelde dat hem niet duidelijk was gemaakt dat het premiepercentage niet automatisch zou worden voortgezet en dat de Staatssecretaris een bijzondere inlichtingenplicht had geschonden, waardoor het vertrouwensbeginsel was geschonden.

De Raad oordeelde dat uit het aanhangsel bij de aanstelling, dat appellant had ondertekend, duidelijk bleek dat het premiepercentage bij verlenging zou worden vastgesteld conform de dan geldende bepalingen van de premieregeling. Het feit dat het premiepercentage tijdens de initiële aanstelling steeds 25% was, maakte dit niet anders. Er was geen toezegging gedaan dat het oude percentage zou worden gehandhaafd. De Raad zag daarom geen grond voor het oordeel dat de Staatssecretaris in strijd had gehandeld met het vertrouwensbeginsel en bevestigde de eerdere uitspraak. Tevens wees de Raad een verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot toekenning van een premiepercentage van 25% over de verlengingsperiode.

Uitspraak

03/1977 MAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 februari 2003, nr. AWB 02/3186 MAWKMA, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 25 november 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.J.A.M. Maas, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.
II. MOTIVERING
1.1. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven overzicht van de hier van belang zijnde feiten volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Appellant is per 11 maart 1991 aangesteld als beroepsmilitair in vaste dienst voor een bepaalde tijd bij het beroepspersoneel van de Zeemacht.
1.3. Op zijn - in juni 1997 gedane - verzoek is appellant met ingang van 20 juli 2000 in aanmerking gebracht voor verlenging van zijn aanstelling met een termijn van één jaar. Ter gelegenheid van deze verlenging is hem een aanhangsel bij zijn akte van aanstelling uitgereikt welk aanhangsel hij op 1 maart 1998 heeft ondertekend. In het aanhangsel is vermeld dat de aanstelling vervolgens telkens stilzwijgend zal worden verlengd tot uiterlijk 1 november 2001. Voorts is in het aanhangsel de zin opgenomen: “Op grond van deze verlenging geldt voor de bovenvermelde termijn van verlenging en gedurende de stilzwijgende verlenging een premiepercentage wat conform de dan geldende bepalingen van de premieregeling zal worden vastgesteld.”. Daarbij is in een voetnoot verwezen naar de Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen van de krijgsmacht uit 1982 en naar de daarbij behorende uitvoeringsregeling.
1.4. Na de verlenging per 20 juli 2000 heeft nog één maal een verlenging van de aanstellingstermijn plaatsgehad, welke op 20 juli 2001 is ingegaan en per 1 november 2001 is geëindigd.
1.5. Over de verlengingstermijn van 20 juli 2000 tot 20 juli 2001 heeft appellant, anders dan voorheen, geen premie van 25%, maar een premie van 0% van zijn bezoldiging ontvangen. Dit percentage van 0 gold aanvankelijk ook voor de daarop volgende verlengingstermijn van 20 juli 2001 tot 1 november 2001.
1.6. Op 7 november 2001 heeft appellant verzocht om hem ook over de periode 20 juli 2000 tot en met 31 oktober 2001 een premie van 25% toe te kennen.
1.7. Bij besluit van 21 februari 2002 heeft gedaagde het verzoek van appellant afgewezen. Daarbij is aangegeven dat zijn veronderstelling niet juist is dat het percentage van 25, zoals dat steeds gedurende zijn initiële aanstelling had gegolden, ook van kracht zou blijven gedurende eventuele verlengingen. Wel is aan appellant bij dit besluit voor de periode 1 juli 2001 tot en met 31 oktober 2001 een bedrag van € 500,- toegekend, zijnde een evenredig deel van de per 1 juli 2001 vastgestelde minimumpremie voor het beroepspersoneel dat in dienst was voor bepaalde tijd.
1.8. Gedaagde heeft het namens appellant daartegen gemaakte bezwaar bij besluit van 16 juli 2002 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen het besluit van 16 juli 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3.1. In hoger beroep is, samengevat, namens en door appellant aangevoerd dat hij ter gelegenheid van zijn eerste verzoek om verlenging over het geldende premiepercentage gesproken heeft met een medewerker van de afdeling personeelszaken en dat hem toen niet duidelijk is gemaakt dat het tot dan toe op hem toepasselijke premiepercentage van 25 niet zonder meer van kracht zou blijven. Gezien ook de lange periode gedurende welke dit percentage ieder jaar ongewijzigd werd vastgesteld, meent appellant dat op gedaagde in dit kader een bijzondere inlichtingenverplichting rustte. Nu deze niet is nagekomen acht hij de voor hem onverwachte vaststelling van de verlengingspremie op 0% in strijd met het vertrouwensbeginsel.
4.1. De Raad stelt vast dat in het onder 1.3. genoemde aanhangsel dat eiser op 1 maart 1998 heeft getekend uitdrukkelijk is vermeld dat bij inwerkingtreding van de verlenging een premiepercentage zal gelden conform de dan geldende bepalingen van de premieregeling. In navolging van hetgeen de rechtbank heeft overwogen, is ook de Raad van oordeel dat appellant hieruit heeft kunnen opmaken dat een voortzetting van een premiepercentage van 25 niet vanzelfsprekend zou zijn. De omstandigheid, dat de premie zoals deze gedurende de looptijd van appellants initiële aanstelling had gegolden steeds op 25% was vastgesteld, maakt dit niet anders. Het premiepercentage wordt immers vastgesteld bij algemeen verbindend voorschrift. Zo’n voorschrift is vatbaar voor (soms ingrijpende) wijziging en appellant had daarop bedacht kunnen zijn. Voorts is van toezeggingen van de kant van gedaagde met betrekking tot handhaving van het oude premiepercentage ingeval van verlenging niet gebleken. Concluderend ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat gedaagde een op hem rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen of anderszins in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel.
4.2. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2005.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) P.W.J. Hospel.