ECLI:NL:CRVB:2005:AS2660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- C. van Viegen
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Herziening ANW-uitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Na een melding van sociale recherche over samenwoning met een partner, voerde de Sociale Verzekeringsbank een onderzoek uit. Uit het onderzoek bleek dat appellante en haar partner feitelijk een gezamenlijke huishouding voerden, ondanks dat de partner een eigen woning had.
De Raad oordeelde dat het hoofdverblijf van de partner feitelijk bij appellante was, mede vanwege verklaringen van betrokkenen en het lage verbruik van nutsvoorzieningen in de andere woning. Daarnaast was er sprake van wederzijdse verzorging, wat blijkt uit financiële en andere feiten.
Op grond hiervan werd de ANW-uitkering met ingang van 1 januari 1998 herzien. Het verzoek van appellante tot schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak bevestigt het besluit van de rechtbank en benadrukt dat verzwegen gezamenlijke huishouding een grond is voor herziening van de uitkering.
Uitkomst: De herziening van de ANW-uitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding wordt bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.