ECLI:NL:CRVB:2005:AS3963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering met aangepaste arbeidsongeschiktheidspercentage
Appellant, voormalig ambtenaar en assistent archivaris, ontving sinds zijn ontslag in 1992 wachtgeld. Na ziekmelding in 1998 met psychische klachten werd hij medisch en arbeidskundig onderzocht, waarna een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% werd vastgesteld. Desondanks kende het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) aanvankelijk een WAO-uitkering toe op basis van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid.
Na herziening per 4 juni 2000 werd het arbeidsongeschiktheidspercentage aangepast naar 15 tot 25%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn aandoeningen, waaronder artrose, chronisch vermoeidheidssyndroom en een hiatus hernia, hem verhinderen 36 uur per week te werken. De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de medische stukken geen aanleiding gaven de conclusies te herzien.
De arbeidsdeskundige selecteerde drie functies die appellant met zijn beperkingen zou kunnen vervullen, te weten samensteller printplaten, medewerker intern transport en assemblagemedewerker. Ondanks enkele overschrijdingen in functiebelasting achtte de Raad deze functies geschikt. De loonwaarde van de mediane functie leidde tot de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid tussen 15 en 25%.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Hiermee werd het beroep van appellant ongegrond verklaard.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% wordt bevestigd.