ECLI:NL:CRVB:2005:AS3984
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over premienageving en boetes in sociale verzekeringswetgeving
Appellant, exploitant van een horecagelegenheid, kreeg correctienota's en boetenota's opgelegd door het UWV over de jaren 1996 tot en met 2000 vanwege onjuiste loonadministratie en niet of onjuist aangemelde werknemers. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en vernietigde het tweede besluit deels.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het anoniementarief ten onrechte is toegepast voor 1996 en dat de premies en boetes te hoog zijn vastgesteld omdat de belastingdienst geen naheffing heeft opgelegd. De Raad oordeelt dat er sprake is van opzet en/of grove schuld, maar dat de boetes voor 1996 en 1997 rekening hadden moeten houden met een specifieke boeteregeling voor de horecabranche.
De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 17 juni 2002 in stand zijn gelaten, bevestigt het voor overige en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt deels het besluit over premienageving en boetes en veroordeelt het UWV in de proceskosten.