ECLI:NL:CRVB:2005:AS4872

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2146 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15:1:5 Arbeidsvoorwaardenregeling personeel gemeente OosterhoutArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing na- en doorbetaling bezoldiging na ontslag wegens plichtsverzuim

Appellante was werkzaam bij het Regionaal Archief West-Brabant locatie Oosterhout en is op 1 maart 1998 ontslagen wegens plichtsverzuim. Zij verzocht om na- en doorbetaling van haar bezoldiging totdat het ontslagbesluit onherroepelijk zou zijn, stellende dat het ontslag niet onmiddellijk ten uitvoer was gelegd. Gedaagde wees dit verzoek af, wat door appellante werd aangevochten bij de rechtbank en vervolgens in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante opnieuw dat zij recht had op betaling vanaf de ontslagdatum. Gedaagde betoogde dat appellante geen belang meer had omdat inmiddels een nieuw ontslagbesluit was genomen, waarbij het ontslag alsnog met terugwerkende kracht werd bevestigd.

De Raad oordeelde dat het doel van appellante, namelijk de betaling van bezoldiging vanaf 1 maart 1998, niet meer kan worden bereikt vanwege het nieuwe besluit. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat appellante schade heeft geleden door het bestreden besluit. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek af.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

03/2146 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het algemeen bestuur van het Regionaal Archief West-Brabant locatie Oosterhout, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 maart 2003, nr. 01/935 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Desgevraagd zijn namens gedaagde nog enkele nadere stukken ingediend.
Appellante heeft eveneens nadere stukken aan de Raad doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 december 2004, waar appellante in persoon is verschenen. Namens gedaagde is ter zitting verschenen mr. M.T.J.H. Berns, advocaat te ’s-Hertogenbosch.
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellante was [naam functie] bij het streekarchivaat in de kring Oosterhout (thans: het Regionaal Archief West-Brabant locatie Oosterhout). Bij besluit van 11 februari 1998, na bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 21 oktober 1998, is appellante wegens plichtsverzuim disciplinair ontslag verleend met ingang van 1 maart 1998.
1.2. De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 15 november 1999, nr. 98/1983 AW VI, het besluit van 21 oktober 1998 vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Bij zijn uitspraak van 17 januari 2002, nr. 00/39 AW, heeft de Raad die uitspraak van de rechtbank vernietigd voorzover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten en bevestigd voorzover aangevochten voor het overige, en gedaagde onder meer opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het ontslagbesluit van 11 februari 1998, met inachtneming van hetgeen in ’s Raads uitspraak is overwogen.
1.3. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft gedaagde appellante bij besluit van 23 april 2003 wederom met ingang van
1 maart 1998 ontslag verleend, maar nu wegens ongeschiktheid voor haar functie anders dan op grond van ziekten of gebreken. De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 15 juli 2003, nr. 03/1245 AW, het tegen het besluit van 23 april 2003 door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en bij uitspraak van 30 december 2003 het hiertegen door appellante gedane verzet ongegrond verklaard.
1.4. Inmiddels had appellante gedaagde bij brief van 13 oktober 2000 verzocht om na- en doorbetaling van haar bezoldiging totdat de straf van ontslag onherroepelijk is geworden. Daarbij heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het strafontslag destijds is verleend zonder daarbij ingevolge artikel 15:1:5 van Pro de Arbeidsvoorwaardenregeling personeel gemeente Oosterhout te bepalen dat de straf onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd. Daardoor kon in de visie van appellante de straf van ontslag niet geëffectueerd worden zolang het ontslagbesluit niet onherroepelijk was geworden. Appellante is dan ook van oordeel dat zij haar aanspraak op volledige bezoldiging heeft behouden.
1.5. Gedaagde heeft appellantes verzoek bij het primaire besluit van 8 november 2000 afgewezen, omdat gedaagde van oordeel is dat geen tenuitvoerlegging behoeft te worden bevolen in die gevallen waarin het strafbesluit geen nadere uitvoeringshandeling vereist, zoals bij een strafontslagbesluit. Dit besluit van 8 november 2000 is, na bezwaar, bij het thans bestreden besluit van 20 april 2001 gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3.1. Evenals in eerste aanleg heeft appellante zich ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat zij aanspraak heeft op na- en doorbetaling van haar bezoldiging vanaf 1 maart 1998.
3.2. Gedaagde is onder andere van oordeel dat in hoger beroep geen in rechte te honoreren belang meer resteert voor appellante.
4. De Raad dient eerst de vraag te beantwoorden of appellante nog voldoende procesbelang heeft in hoger beroep. Daaromtrent overweegt de Raad het volgende.
4.1. Appellante heeft aan haar verzoek van 13 oktober 2000 tot na- en doorbetaling van haar bezoldiging ten grondslag gelegd dat de straf van ontslag niet met ingang van 1 maart 1998 ten uitvoer is gelegd, zodat haar dienstbetrekking nog niet was geëindigd.
Deze grondslag is naar het oordeel van de Raad aan het verzoek van appellante komen te ontvallen met het inmiddels in rechte vaststaande onder 1.3. vermelde besluit van 23 april 2003, waarbij aan appellante met ingang van eveneens 1 maart 1998 ontslag is verleend wegens ongeschiktheid voor haar functie anders dan op grond van ziekten of gebreken. Dat, naar appellante heeft gesteld, aan dit besluit van 23 april 2003 een fundamenteel gebrek kleeft omdat uitsluitend de voorzitter van het algemeen bestuur dat besluit heeft ondertekend, brengt - wat er verder van zij - geenszins met zich dat aan dit ontslagbesluit geen betekenis zou toekomen.
4.2. De Raad kan aan het vorenstaande geen andere conclusie verbinden dan dat het door appellante met haar hoger beroep beoogde doel, te weten de na- en doorbetaling van haar bezoldiging vanaf 1 maart 1998, niet meer daadwerkelijk bereikt kan worden.
4.3. Nu appellante voorts niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden door de beweerdelijke onrechtmatigheid van het thans bestreden besluit van 20 april 2001, is de Raad van oordeel dat appellante geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van dit bestreden besluit.
Dit betekent dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2005.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) A. de Gooijer.