ECLI:NL:CRVB:2005:AS4906
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Ch.J.G. Olde Kalter
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit beëindiging Ziektewetuitkering wegens arbeidsgeschiktheid
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om haar per 3 december 2001 geen uitkering meer toe te kennen op grond van de Ziektewet (ZW). De rechtbank Alkmaar verklaarde het beroep ongegrond, omdat niet was gebleken dat appellante op die datum nog ongeschikt was tot het verrichten van arbeid.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld waarbij appellante niet is verschenen. De Raad baseert zich op de feiten en omstandigheden zoals vastgesteld door de rechtbank, die niet zijn betwist. Medische gegevens, waaronder een brief van de huisarts, toonden geen zodanige lichamelijke of psychische afwijkingen aan die arbeidsongeschiktheid zouden rechtvaardigen.
De Raad bevestigt dat de belasting van huishoudelijke taken en gezinsomstandigheden niet meegewogen mag worden bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, conform vaste jurisprudentie. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.