ECLI:NL:CRVB:2005:AS5180

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4936 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 AbwArt. 83 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wegens niet-nakoming aflossingsverplichting

Appellant ontving bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening voor inrichtingskosten. Deze lening moest worden terugbetaald zodra een oude schuld was afgelost. Nadat appellant in gebreke bleef met de aflossing van zowel de oude schuld als de lening, vorderde de gemeente Breda het bedrag terug op grond van artikel 83 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw).

De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze terugvordering ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat appellant niet aan zijn aflossingsverplichtingen had voldaan, ook niet nadat incasso was overgedragen aan een deurwaarder en meerdere aanmaningen waren verstuurd.

De stelling van appellant dat eerst de oude schuld moest worden afgelost voordat de lening terugbetaald hoefde te worden, werd verworpen omdat hij ook in gebreke was met de oude schuld. De Raad vond geen dringende redenen om af te zien van terugvordering en bevestigde daarom de eerdere uitspraak. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van € 2.430,90 bijzondere bijstand wegens niet-nakoming van de aflossingsverplichting.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/4936 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] appellant,
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda, gedaagde.
I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 augustus 2003, reg.nr. 02/2276 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij faxbericht van 20 december 2004 heeft appellant nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 december 2004, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door P.J.J. Spronk, werkzaam bij de gemeente Breda.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstan-digheden.
Aan appellant is bij besluit van 3 maart 1998 onder toepassing van artikel 24 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw) bijzondere bijstand toegekend voor inrichtingskosten in de vorm van een geldlening. Daarbij is aan appellant meegedeeld dat hij op dat moment een oude schuld aflost, en dat zodra deze is afgelost, de schuld voortvloeiend uit de lening op dezelfde manier moet worden terugbetaald. Bij besluit van 5 maart 2002 heeft gedaagde met toepassing van artikel 83, eerste lid, van de Abw een bedrag van € 2.430,90 van appellant teruggevorderd, op de grond dat appellant de terugbetalingsverplichting die voortvloeit uit de lening niet of niet behoorlijk nakomt. Het tegen het besluit van 5 maart 2002 gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 oktober 2002 door gedaagde ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2002 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Abw worden kosten van bijstand verleend in de vorm van geldlening ingevolge paragraaf 2 van hoofdstuk VI van de Abw van de belanghebbende teruggevorderd, indien hij de hieruit voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt.
Gedaagde heeft aan appellant, nadat de incasso van de oude reeds bestaande schulden op 27 augustus 2001 wegens wanbetaling is overgedragen aan een deurwaarder, vanaf oktober 2001 ter aflossing van de lening maandelijks acceptgirokaarten ten bedrage van f 100,-- toegezonden. Dit heeft echter, ook na een aanmaning op 17 december 2001, niet tot betaling geleid.
Met gedaagde is de Raad van oordeel dat appellant daardoor, in strijd met de aan de geldlening verbonden voorwaarde, niet aan zijn aflossingsverplichting ten behoeve van de verstrekte leenbijstand in inrichtingskosten heeft voldaan. Aan de stelling van appellant dat hij doende is zijn oude schulden af te lossen en dat hij eerst tot aflossing van de onderhavige lening verplicht is nadat hij die oude schulden heeft afgelost gaat de Raad voorbij, nu appellant in gebreke was met de aflossing van zijn oude schulden.
Dit heeft naar het oordeel van de Raad tot gevolg dat het bedrag van die leenbijstand terecht op grond van artikel 83, eerste lid, van de Abw van appellant is teruggevorderd.
De Raad is niet gebleken van dringende redenen zodat gedaagde niet bevoegd is om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2005.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) P.C. de Wit.