ECLI:NL:CRVB:2005:AS5187
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- M.I. ’t Hooft
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling opschorting en beëindiging recht op bijstand met prematuur bezwaar
Appellant ontving sinds 1 april 1998 een bijstandsuitkering. Het College van burgemeester en wethouders van Binnenmaas schortte het recht op uitkering op wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht en verlengde meerdere malen de hersteltermijn. Vervolgens werd het recht op uitkering beëindigd omdat appellant niet feitelijk woonde op het opgegeven adres.
Appellant maakte bezwaar tegen de opschorting en de beëindiging, maar het bezwaar tegen de beëindiging werd prematuur ingediend omdat het besluit toen nog niet genomen was. De president van de rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de beëindiging niet-ontvankelijk en vernietigde de besluiten tot opschorting en voortzetting daarvan.
In hoger beroep betwist appellant deze niet-ontvankelijkverklaring en het oordeel dat het besluit tot beëindiging geen primair besluit was. De Raad stelt vast dat het bezwaar prematuur was en dat de rechtbank dit terecht heeft beoordeeld. Ook is geen sprake van onzorgvuldig handelen door de gemeente. Het beroep tegen het besluit tot intrekking van de opschorting wordt ongegrond verklaard. Hiermee staat vast dat appellant tot 27 juli 2001 recht op bijstand had en dat geen verdere besluiten nodig zijn.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het besluit tot intrekking van de opschorting wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de beëindiging van het recht op bijstand is prematuur en niet-ontvankelijk.