ECLI:NL:CRVB:2005:AS6751
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid door gezondheidsklachten
De zaak betreft een geschil over de beëindiging van een WW-uitkering van gedaagde, die door rugklachten niet langer beschikbaar zou zijn om arbeid te aanvaarden. Appellant, het UWV, had de uitkering beëindigd omdat gedaagde niet meer voldeed aan de WW-vereiste van beschikbaarheid voor arbeid. De rechtbank had dit besluit vernietigd omdat gedaagde volgens haar niet ondubbelzinnig had aangegeven niet beschikbaar te zijn.
In hoger beroep handhaaft het UWV het standpunt dat gedaagde door zijn houding en gedrag duidelijk heeft gemaakt niet beschikbaar te zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat beschikbaarheid een feitelijke toestand betreft die aan de hand van concrete omstandigheden moet worden beoordeeld. Uit het telefoongesprek en de brief van eind augustus 2001 blijkt volgens de Raad dat gedaagde ondubbelzinnig heeft laten zien niet beschikbaar te zijn vanwege zijn rugklachten.
De Raad benadrukt dat het gaat om feitelijk gedrag en niet om intenties; het feit dat gedaagde wel wilde werken doet hier niet aan af. Ook de pro forma beschikbaarheid die door de gemachtigde van gedaagde werd erkend, ondersteunt dit oordeel. De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van gedaagde ongegrond, waarmee het besluit tot beëindiging van de WW-uitkering geldig blijft.
Uitkomst: De WW-uitkering is terecht beëindigd omdat gedaagde niet meer beschikbaar was voor arbeid.