ECLI:NL:CRVB:2005:AS6770
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- P.J. Stolk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAZ-uitkering wegens onvoldoende gemotiveerde arbeidskundige beoordeling
Appellant heeft een WAZ-uitkering aangevraagd na een TIA en aanhoudende neurologische klachten, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze uitkering op grond van onvoldoende arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd aangenomen dat appellant de werkzaamheden van de geselecteerde functies kon verrichten.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij medisch zodanig beperkt is dat hij geen van de geselecteerde functies kan vervullen. De Raad oordeelde dat voor twee van de vier functies onvoldoende is gemotiveerd waarom appellant die werkzaamheden zou kunnen verrichten, met name voor de functie van printplatenmonteur waar geconcentreerde aandacht vereist is.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Het verzoek van appellant tot vergoeding van renteschade wegens niet tijdige uitbetaling werd afgewezen omdat nog niet vaststaat dat sprake is van schade. De Raad gaf aan dat dit in een later besluit zal worden beoordeeld.
De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke en voldoende gemotiveerde arbeidskundige onderbouwing bij het vaststellen van arbeidsongeschiktheid voor WAZ-uitkeringen.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WAZ-uitkering wordt vernietigd en het Uwv dient een nieuw besluit te nemen.