AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant stelde hoger beroep in tegen de weigering van een Ziektewetuitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), omdat volgens hem onvoldoende rekening was gehouden met zijn medische beperkingen. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Raad bevestigt dit oordeel.
De kern van het geschil was of appellant op 3 juni 2002 toegenomen arbeidsongeschikt was ten opzichte van een eerdere beoordeling op 8 januari 2002. De Raad overweegt dat appellant onverminderd in staat werd geacht de maatgevende arbeid en de hem voorgehouden functies te verrichten. De medische stukken die appellant later overlegde, hadden betrekking op een latere periode en boden geen aanleiding om het standpunt van het UWV te wijzigen.
De Raad verwijst naar eerdere overwegingen in de rechtbankuitspraak en het bezwaarproces, en concludeert dat het bestreden besluit terecht in stand blijft. Er is geen grond voor vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door een kamer van drie rechters en is openbaar uitgesproken op 26 januari 2005.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid op de peildatum.
Uitspraak
03/5240 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. E.G.W. Hendriks, advocaat te Hoensbroek, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 12 september 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. 02/1564 ZW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met de gedingen tussen partijen bij de Raad bekend onder nrs. 03/694 WAO en 03/724 WW, behandeld ter zitting van de Raad van 15 december 2004, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.H.H.J. Krijnen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. In de onderhavige zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 18 juli 2002 heeft gedaagde aan appellant geweigerd uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) toe te kennen om reden dat op 3 juni 2002 bij appellant geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid sedert de beoordeling op 8 januari 2002 in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Appellant werd onverminderd in staat geacht de maatgevende arbeid alsmede de hem voorgehouden functies te verrichten. Dit besluit is in bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 13 september 2002.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant zijn beroepsgronden tegen het bestreden besluit gehandhaafd en verzocht deze als herhaald en ingelast te beschouwen in het onderhavige geding. Deze gronden komen er op neer dat er onvoldoende rekening is gehouden met de medische beperkingen van appellant en dat de ernst van zijn medische situatie niet wordt onderkend. De beperkingen van appellant beletten hem tot het verrichten van reguliere arbeid, hetgeen volgens appellant moge blijken uit het feit dat appellant inmiddels is toegelaten tot de doelgroep van de WSW Oostelijk Zuid-Limburg.
In dit geding is de vraag aan de orde of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Voorafgaand aan de beantwoording van deze vraag dient de Raad in te gaan op het verzoek om uitstel dat voorafgaand aan de zitting door appellant is gedaan. De Raad volstaat ermee te verwijzen naar de uitspraak van de Raad in de hierboven genoemde procedure van appellant onder nummer 03/694 WAO, op dezelfde datum gedagtekend als onderhavige uitspraak.
De hierboven geformuleerde vraag wordt door de Raad bevestigend beantwoord en de Raad overweegt daartoe het volgende.
De in hoger beroep naar voren gebrachte stellingen, welke een herhaling zijn van hetgeen namens appellant in bezwaar en in beroep is aangevoerd dienen te falen. De Raad volstaat met te verwijzen naar hetgeen daaromtrent in de aangevallen uitspraak is overwogen en maakt die overwegingen tot de zijne.
De medische gegevens die door appellant op 1 december 2004 aan de Raad zijn toegezonden en welke stukken ook reeds in het kader van het geding in eerste aanleg zijn ingediend, geven de Raad aanleiding het volgende op te merken.
Allereerst hebben genoemde stukken betrekking op de gezondheidssituatie van appellant in de tweede helft van 2003, terwijl in dit geding uitsluitend de geschiktheid van appellant voor het verrichten van de geduide functies op de datum 3 juni 2002 aan de orde is.
Voorts zijn de ingediende stukken in het kader van het geding in eerste aanleg door gedaagde voorgelegd aan bezwaarverzekeringsgeneeskundige C.G. van der Kooij, die op 7 augustus 2003 -kort gezegd- in genoemde stukken geen aanleiding heeft gezien voor wijziging van het standpunt van gedaagde met betrekking tot de geschiktheid van appellant tot het verrichten van de maatgevende arbeid op en na 3 juni 2002.
Gezien het voorgaande is ook de Raad van oordeel dat de namens appellant aan de Raad toegezonden stukken geen aanknopingspunten bieden om het standpunt van gedaagde met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding voor onjuist te houden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005.