ECLI:NL:CRVB:2005:AS7588
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- H.J. de Mooij
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) als alleenstaande ouder. Na onderzoek door de sociale recherche bleek dat appellant en zijn partner gedurende meerdere jaren een gezamenlijke huishouding voerden, hetgeen niet was gemeld aan de gemeente. Hierdoor werd de bijstandsuitkering aan appellant onterecht toegekend en is deze met terugwerkende kracht ingetrokken en teruggevorderd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door de gezamenlijke huishouding te verzwijgen. De intrekking van de bijstand over de periode van 1 september 1996 tot 16 januari 2000 is terecht en gebaseerd op artikel 69, derde lid, van de Abw. Ook is de terugvordering van de kosten van bijstand aan appellant over deze periode gerechtvaardigd.
Echter oordeelt de Raad dat de mede-terugvordering van de kosten van bijstand die aan de partner zijn verleend over de periodes 1 september 1996 tot en met 30 december 1998 en 16 januari 2000 tot en met 30 juni 2001 onrechtmatig is. Dit omdat de partner in de laatste periode niet in de gemeente ’s-Gravenhage woonde en de wet geen grond biedt voor terugvordering van partnerkosten in die situatie.
De Raad vernietigt daarom het besluit voor zover het de mede-terugvordering betreft en beveelt een nieuw besluit. Tevens veroordeelt de Raad de gemeente in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot mede-terugvordering van partnerkosten wordt vernietigd.