ECLI:NL:CRVB:2005:AS8017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- A.B.J. van der Ham
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandskosten na vaststelling vermogen bij aanvang bijstandsverlening
Appellante ontving vanaf 4 augustus 1999 een bijstandsuitkering na het verlaten door haar echtgenoot. De uitkering werd aanvankelijk als geldlening verstrekt omdat het vermogen nog niet definitief was vastgesteld. Later stelde het college het vermogen bij aanvang van de bijstand vast op ƒ37.987,43 en vorderde het gemaakte bijstandskosten terug tot ƒ18.287,43. Appellante stelde dat er ten onrechte geen rekening was gehouden met een schuld aan haar ex-echtgenoot van ƒ40.000,--, voortkomend uit de aankoop van diens aandeel in de boedel.
De Raad overwoog dat ten tijde van de aanvang van de bijstand het huwelijk nog in gemeenschap van goederen was en er dus sprake was van één gemeenschappelijk vermogen. Hierdoor kon er geen schuld aan de ex-echtgenoot worden aangenomen. Daarnaast werd het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan door het bevoegde orgaan.
De Raad bevestigde dat het college terecht geen rekening hield met de gestelde schuld en dat de terugvordering van bijstandskosten op grond van artikel 82 Abw Pro terecht was. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstandskosten bevestigd.