ECLI:NL:CRVB:2005:AS8479
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beschikbaarheid voor arbeid en referte-eis WW-uitkering bij arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 1 mei 2000 wegens knieklachten arbeidsongeschikt en ontving vanaf 30 april 2001 een WAO-uitkering. Zij vroeg op 29 oktober 2001 een WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat zij niet voldeed aan de referte-eis van artikel 17 WW Pro, en omdat zij volgens het UWV niet beschikbaar was voor arbeid vanaf 30 april 2001.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante vanaf 30 april 2001 wel degelijk beschikbaar was voor passende arbeid. Hoewel zij aanvankelijk dacht te ziek te zijn, was zij vanaf 15 juni 2001 geïnformeerd over haar arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voor passend werk, en was zij vanaf 20 juni 2001 als werkzoekende ingeschreven.
De Raad stelt dat beschikbaarheid een feitelijke toestand betreft die moet blijken uit houding en gedrag. Appellante heeft niet ondubbelzinnig te kennen gegeven dat zij zich niet beschikbaar stelde. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd.