ECLI:NL:CRVB:2005:AS8574
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beëindiging registratie verzekerde werknemer zonder geldige verblijfs- en tewerkstellingsvergunning niet gerechtvaardigd
De zaak betreft de beëindiging van de registratie van gedaagde als verzekerde werknemer per 1 juli 1998 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De registratie werd beëindigd wegens het ontbreken van een geldige verblijfs- en tewerkstellingsvergunning. Gedaagde stelde dat zij een aanvraag tot verblijf had ingediend en gerechtigd was tot arbeid zonder tewerkstellingsvergunning. Tevens werd aangevoerd dat de Koppelingswet in strijd was met het discriminatieverbod uit de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Marokko.
De rechtbank oordeelde in eerste aanleg dat het besluit in strijd was met het discriminatieverbod en gaf gedaagde gelijk. In hoger beroep stelde appellant dat het onderscheid gerechtvaardigd was en dat gedaagde uitgezet kon worden. Uit nadere stukken bleek echter dat gedaagde rechtmatig arbeid verrichtte en haar verblijfsaanvraag mocht afwachten. De Raad onderschreef dit en oordeelde dat de registratie niet beëindigd had mogen worden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank, maar op andere gronden, en bepaalde dat appellant een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens werd appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van verblijfs- en arbeidsrechtelijke status bij sociale verzekeringen.
Uitkomst: De registratie van gedaagde als verzekerde werknemer per 1 juli 1998 was onterecht beëindigd; appellant moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.