In zijn uitspraak van 11 juni 2003 (LJN AIO 656) heeft de Raad het oordeel neergelegd dat, gelet op de omstandigheid dat artikel 7:685, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek de kantonrechter bij de vaststelling van de ontbindingsdatum weinig ruimte geeft om rekening te houden met de uit de WW voortvloeiende zogenoemde fictieve opzegtermijn, dat in de zogeheten kantonrechtersformule geen rekening wordt gehouden met een eventuele fictieve opzegtermijn in het kader van de WW en dat bij een zogeheten geregelde ontbinding de kantonrechter weliswaar niet zal afwijken van de hem kenbaar gemaakte afspraken tussen de werkgever en werknemer, maar aangenomen mag worden dat partijen bij een ontbinding hebben gestreefd naar een zo gunstig mogelijke uitkomst en de werknemer er in het algemeen geen belang bij zal hebben om de arbeidsovereenkomst eerder dan nodig te doen eindigen of een lagere vergoeding te bedingen dan mogelijk is, het enkele feit dat de werknemer in geval van een, al dan niet geregelde, ontbinding de kantonrechter niet vraagt om bij de datum van de ontbinding dan wel bij het toekennen van een vergoeding met de voor hem geldende fictieve opzegtermijn rekening te houden, geen benadelingshandeling oplevert. Daarbij heeft de Raad tevens aangegeven dat uit de in artikel 24, zesde lid, van de WW neergelegde verplichting van de werknemer om zich zodanig te gedragen dat hij de daarin genoemde fondsen niet benadeelt of zou kunnen benadelen, volgt dat van een werknemer die in de situatie verkeert waarin hij beslissingen moet nemen in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, mag worden verwacht dat hij wel rekening houdt met de consequenties die zijn opstelling heeft voor zijn aanspraken in het kader van de WW en dat hij ernaar streeft om die aanspraken zoveel als redelijkerwijs mogelijk te beperken. Tenslotte wijst de Raad er op dat in die uitspraak is aangegeven dat in beginsel van een werknemer mag worden verwacht dat hij verweer voert in een door de werkgever aanhangig gemaakte procedure en dat temeer indien daaraan geen (proces)risico is verbonden, maar dat dit niet zo ver gaat dat hij zich zou moeten verweren op een wijze die als onhaalbaar moet worden beschouwd. Gelet op al die omstandigheden zal dan ook, ingeval een werknemer ter zake van een ontbindingsprocedure niet heeft verzocht om een vergoeding ter hoogte van de fictieve opzegtermijn, dan wel een ontbinding op een termijn die niet korter is dan de fictieve opzegtermijn, niet licht kunnen worden geconcludeerd dat een werknemer een benadelingshandeling heeft gepleegd.
In casu ziet de Raad niettemin aanleiding om wel tot dit oordeel te komen. Onweersproken is immers dat appellant, uitgaande van de kantonrechtersformule, gelet op zijn leeftijd en de lengte van zijn dienstverband, terzake van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding toe zou komen van tenminste 54 maandsalarissen, hetgeen een bedrag van meer dan f 350.000,-- (€ 158.823,07) zou hebben belopen. Weliswaar zou de kantonrechter dit bedrag hebben kunnen matigen, en zouden daarop naar alle waarschijnlijkheid de maanden waarin appellant vrijgesteld was van het verrichten van arbeid in mindering zijn gebracht, maar dan nog resteert een bedrag dat de fictieve opzegtermijn meer dan ruimschoots overschrijdt. Daarbij neemt de Raad ook in aanmerking dat appellant op geen enkele wijze heeft duidelijk gemaakt waar de - door hem gestelde - afspraken met de werkgever op neer kwamen, anders dan dat hij sedert oktober 2000 niet langer gehouden was arbeid ten behoeve van de werkgever te verrichten. Het is de Raad voorts niet gebleken dat de bedrijfseconomische omstandigheden waarin de werkgever verkeerde van dien aard waren dat appellant in de veronderstelling kon verkeren dat het vragen om een vergoeding geen kans van slagen zou hebben. Voorts speelt nog een rol dat appellant zich blijkens de stukken op enig moment wel heeft gerealiseerd dat het vragen van een vergoeding mogelijk was, maar dat hij daarvan heeft afgezien, naar zijn zeggen, in verband met de daaraan verbonden kosten van rechtshulp. De Raad kan tot geen enkele andere conclusie komen dan dat er in het onderhavige geval een evidente wanverhouding bestaat tussen hetgeen appellant van zijn werkgever kon vorderen en hetgeen waarmee hij genoegen heeft genomen. Nu appellant derhalve op geen enkele wijze overtuigend heeft aangetoond dat er voldoende zwaarwegende redenen zijn af te zien van het vragen van een vergoeding, waar er, gelet op het voorgaande, geen enkele reden is om te veronderstellen dat de kantonrechter in ieder geval niet een substantieel deel van het hiervoor genoemde bedrag als vergoeding zou toewijzen en dit derhalve redelijkerwijs wel van hem kon worden verlangd, is de Raad van oordeel dat appellant een benadelingshandeling in de zin van artikel 24, zesde lid, van de WW heeft gepleegd.
Met gedaagde is de Raad van oordeel dat er geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Het geval waarnaar appellant verwijst betreft immers een ontbindingsbeschikking waarbij wel met de fictieve opzegtermijn rekening werd gehouden en waarbij de betrokken werknemer, anders dan appellant, niet vrijgesteld was van de verplichting om arbeid te verrichten.