ECLI:NL:CRVB:2005:AS9423
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting recht op ziekengeld bij arbeidsongeschiktheid wegens handklachten
Betrokkene, werkzaam als modinette, viel in 1992 uit wegens rechterhandklachten en ontving vanaf 1993 een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) met een mate van 80-100%.
Na een herbeoordeling in 1998 werd haar arbeidsongeschiktheidsuitkering ingetrokken wegens een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Betrokkene meldde zich in 2001 ziek met handklachten en kreeg aanvankelijk recht op ziekengeld. Appellant stelde echter bij besluit van 19 oktober 2001 dat zij niet meer wegens ziekte ongeschikt was voor haar arbeid en beëindigde het ziekengeld.
De rechtbank verklaarde dit besluit onrechtmatig wegens onvoldoende medisch onderzoek, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de bezwaarverzekeringsarts geen twijfel uitsprak over de geschiktheid van betrokkene voor haar werk. De Raad stelt vast dat de medische gegevens geen aanleiding geven tot het aannemen van meer beperkingen dan eerder vastgesteld en vernietigt het vonnis van de rechtbank. Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en betrokkene heeft geen recht meer op ziekengeld vanaf 22 oktober 2001.