AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen herziening bijstandsuitkering
Appellant ontving van april 1999 tot juli 2000 een bijstandsuitkering. Het College van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen herzag en trok deels de bijstand over oktober 1999 tot april 2000 in, vorderde een bedrag terug en legde een boete op. Appellant diende een ongedateerd bezwaarschrift in dat onduidelijk was gericht tegen welk besluit het bezwaar zich richtte. De gemeente verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig indienen van de gronden van het bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het bezwaar niet duidelijk gericht is tegen een besluit en dat het bezwaarschrift te laat is ingediend zonder verschoonbare omstandigheden. De brief van 3 augustus 2001, genoemd in het bezwaar, is geen besluit en het bezwaar tegen het besluit van 23 juli 2001 is te laat ingediend.
De Raad bevestigt daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaarschrift is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
03/1380 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen Born, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. H.E.G. Peters, advocaat te Sittard-Geleen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 februari 2003, reg.nr. 02/1089 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 12 januari 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat, gelet op de gedingstukken, uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft van 1 april 1999 tot 3 juli 2000 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet ontvangen.
Bij besluit van 23 juli 2001 heeft gedaagde het recht op bijstand over de periode van 3 oktober 1999 tot en met 8 april 2000 deels herzien en deels ingetrokken, een bedrag van f 3.503,51 van appellant teruggevorderd, en aan appellant een boete opgelegd van f 350,--. In het besluit is vermeld dat de brief is behandeld door mevrouw Bemelmans.
Bij brief van 3 augustus 2001, met kenmerk 42082300/V/io, heeft gedaagde - overeenkomstig diens telefonische verzoek - aan appellant een inlichtingenformulier toegezonden waarop hij zijn financiële omstandigheden kon invullen.
Bij besluit van 19 september 2001 heeft gedaagde bepaald dat appellant met ingang van 1 oktober 2001 een bedrag van
f 350,-- per maand moet aflossen. Op 11 oktober 2001 heeft gedaagde een beslissing met dezelfde inhoud genomen.
Op 19 november 2001 heeft gedaagde een ongedateerd bezwaarschrift van appellant ontvangen.
Bij brief van 7 december 2001 heeft gedaagde de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd. In de brief is vermeld dat het bezwaar is gericht tegen het besluit van 19 september 2001 en dat appellant een termijn van vier weken krijgt om de gronden van het bezwaar in te dienen.
Bij besluit op bezwaar van 10 juni 2002 heeft gedaagde het bezwaar gericht geacht tegen de beslissing van 11 oktober 2001, en overwogen dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Gedaagde heeft vervolgens het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan het verzoek de gronden van zijn bezwaar binnen een termijn van vier weken in te dienen en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op basis waarvan de overschrijding van de gestelde termijn zou moeten worden gepardonneerd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 10 juni 2002 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In het bezwaarschrift heeft appellant aangegeven dat het bezwaar verband houdt met een brief die hij van de gemeente Sittard-Geleen heeft ontvangen, dat die brief het kenmerk 42082300/V/io had, en dat de brief was behandeld door mevrouw Bemelmans.
De Raad stelt vast dat uit het bezwaarschrift niet duidelijk blijkt waartegen het bezwaar is gericht.
Indien ervan wordt uitgegaan dat het bezwaar is gericht tegen de door appellant in het bezwaarschrift genoemde brief met het kenmerk 42082300/V/io, dan is het gericht tegen de brief van 3 augustus 2001. Die brief, waarbij gedaagde aan appellant een inlichtingenformulier heeft toegezonden, is niet gericht op enig rechtsgevolg en kan derhalve niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
Indien ervan wordt uitgegaan dat het bezwaar is gericht tegen een door mevrouw Bemelmans behandelde brief, dan moet, gelet op de omstandigheid dat het dossier geen andere door mevrouw Bemelmans behandelde brieven bevat dan het besluit van 23 juli 2001, worden aangenomen dat het is gericht tegen dat besluit. In dat geval moet worden vastgesteld dat het bezwaarschrift na het verstrijken van de bezwaartermijn in ingediend en dat niet is gebleken van enige grond voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.
In beide gevallen dient het bezwaar niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Naar het oordeel van de Raad biedt het bezwaarschrift geen aanknopingspunt om het bezwaar gericht te achten tegen het besluit van 19 september 2001 of de beslissing van 11 oktober 2001, zoals gedaagde heeft gedaan in de ontvangst- bevestiging van 7 december 2001 onderscheidenlijk het besluit (op bezwaar) van 10 juni 2002.
Het voorgaande brengt mee dat gedaagde, zij het op onjuiste gronden, het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het besluit van 10 juni 2002 ongegrond is verklaard, met verbetering van de gronden voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. H.J. de Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2005.