ECLI:NL:CRVB:2005:AS9916
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.C.F. Talman
- G.L.M.J. Stevens
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek periodieke uitkering en voorziening op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Eiser, geboren in 1930 als zoon van een joodse vader en niet-joodse moeder, vroeg om een periodieke uitkering en voorziening op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij vanwege de vervolging van zijn vader en de oorlogsomstandigheden zelf ook vervolging dan wel daarmee gelijk te stellen omstandigheden had meegemaakt, met ernstige psychische klachten tot gevolg.
Verweerster wees de aanvraag af omdat eiser als kind uit een gemengd huwelijk niet tot de groepen behoorde die door de Duitse bezetter vervolgd werden en er geen bewijs was van daadwerkelijke onderduik in de zin van de wet. Ook waren er geen bijzondere omstandigheden die tot gelijkstelling met een vervolgde zouden leiden. De medische gegevens toonden geen gezondheidsklachten die in overwegende mate verband hielden met de vervolging van zijn vader.
De Raad bevestigde deze lijn en oordeelde dat het verblijf van eiser in een nonnenklooster niet als onderduik kan worden aangemerkt. De medische expertise onderschreef het standpunt dat de psychische klachten niet overwegend door de vervolging van de vader werden veroorzaakt. Ook het verweer dat eiser onvoldoende is gehoord, leidde niet tot vernietiging van het besluit.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de uitkering en voorziening wordt gehandhaafd.