ECLI:NL:CRVB:2005:AT0416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- A.B.J. van der Ham
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding ondanks gescheiden woonadressen
Appellant ontvangt sinds 1988 een AOW-uitkering volgens de norm voor een ongehuwde na het overlijden van zijn echtgenote. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de Sociale verzekeringsbank een onderzoek naar het recht op uitkering, waarbij werd vastgesteld dat appellant en zijn partner vanaf september 1998 een gezamenlijke huishouding voerden, ondanks het feit dat zij ieder een eigen woning hadden.
De Raad hanteert objectieve criteria voor het bepalen van een gezamenlijke huishouding, waarbij het hebben van een gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg centraal staan. Uit verklaringen en feiten blijkt dat appellant en zijn partner afwisselend samenwoonden en zorg voor elkaar droegen, onder meer door gezamenlijke boodschappen, huishoudelijke taken en verzorging bij ziekte.
De Raad concludeert dat de herziening van het AOW-pensioen terecht is vastgesteld vanaf 1 september 1998 en dat er geen dringende redenen waren om van herziening af te zien. Tevens wordt geoordeeld dat de verklaring van de partner rechtsgeldig is afgelegd en dat het gebruik van dit bewijs niet onrechtmatig is. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van het AOW-pensioen vanaf 1 september 1998 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.