ECLI:NL:CRVB:2005:AT0668
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting WW-uitkering bij zelfstandige met onderbroken opdrachten
Betrokkene, geboren in 1939, ontving sinds 1997 een WW-uitkering die in 1999 werd stopgezet vanwege volledige zelfstandige arbeid. Na een onderbreking werd de uitkering weer hervat, maar in 2001 werd deze opnieuw beëindigd omdat betrokkene volledig als zelfstandige werkte. In 2002 verzocht betrokkene om voortzetting van de WW-uitkering wegens gebrek aan werk, maar dit werd geweigerd omdat hij nog steeds als zelfstandige actief was.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat betrokkene per 1 april 2002 geen zelfstandige werkzaamheden meer verrichtte en kende hem de WW-uitkering toe. De Centrale Raad van Beroep vernietigt dit oordeel omdat betrokkene zich nog steeds inspande opdrachten te verkrijgen als zelfstandige en zelfs in juli 2002 een nieuwe opdracht had. De Raad stelt dat het beëindigen van zelfstandige activiteiten volledig moet zijn om recht op WW te verkrijgen.
De Raad concludeert dat appellant terecht heeft geweigerd de WW-uitkering voort te zetten en verklaart het beroep ongegrond. De inschrijving bij de Kamer van Koophandel en het voortzetten van bedrijfsactiviteiten zijn indicaties dat het zelfstandige ondernemerschap niet is beëindigd, waardoor het werknemersschap niet is hersteld.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat betrokkene geen recht heeft op voortzetting van de WW-uitkering omdat zijn zelfstandige werkzaamheden niet volledig zijn beëindigd.