ECLI:NL:CRVB:2005:AT0966
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voor functies bij Ziektewet en WAO
Appellant ontving sinds november 1999 een WW-uitkering en meldde zich op 5 maart 2002 ziek met rug-, nek- en maagklachten. Verzekeringsarts Affara stelde op 13 september 2002 vast dat de klachten gelijk waren gebleven of iets verergerd, maar dat de belastbaarheid ongewijzigd was. Op grond hiervan concludeerde hij dat appellant arbeidsgeschikt was voor de functies die eerder in het kader van de WAO waren vastgesteld.
Op 17 september 2002 werd appellant ziekengeld geweigerd omdat hij niet langer ongeschikt werd geacht voor arbeid. In bezwaar werd door een bezwaarverzekeringsarts bevestigd dat appellant beperkingen had, maar dat hij geschikt bleef voor vier van de functies uit de arbeidsmogelijkhedenlijst. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank niet op alle gronden apart was ingegaan en bracht nieuwe medische informatie in. De Raad overwoog dat onder 'zijn arbeid' de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid wordt verstaan, tenzij de verzekerde na het ontvangen van ziekengeld blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk is hervat. In dat geval geldt de beoordeling van de WAO-functies. De Raad bevestigde dat appellant geschikt is voor ten minste één van de functies en dat de medische informatie van januari 2005 buiten beschouwing blijft omdat deze niet op de datum in geding ziet.
De Raad concludeert dat appellant vanaf 16 september 2002 niet ongeschikt is voor arbeid en bevestigt het bestreden besluit en uitspraak van de rechtbank. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Appellant wordt vanaf 16 september 2002 niet ongeschikt geacht voor arbeid en heeft geen recht op ziekengeld.